Kaalheid

Meer dan 50 jaar geleden werd door Hamilton ontdekt dat mannen die gecastreerd werden geen AGA (kaalheid) ontwikkelden. Gecastreerde mannen hebben een veel lagere androgeen gehalte in het lichaam dan bij ongecastreerde mannen. Na het toedienen van testosteron aan de gecastreerde mannen, begon bij sommige mannen AGA te ontwikkelen. Om die reden werd vastgesteld dat op bepaalde gebieden van het lichaam de haargroei en het ontstaan van AGA sterk afhankelijk is van androgenen. Op dat gebied kan men 3 verschillende typen haarfollikels onderscheiden. [2] Follikels die niet gevoelig zijn voor androgenen Deze follikels groeien onafhankelijk van androgenen en zijn te vinden op het achterhoofd en op het gebied van de oogleden waar de wimpers uit groeien. Follikels die afhankelijk zijn van androgenen Deze worden groter als reactie op androgenen, met als gevolg dat de haren die hieruit groeien dikker en langer worden. Follikels die gevoelig zijn voor androgenen Deze follikels komen langer in de telogeenfase terecht en worden kleiner. Dit zijn de follikels die bij AGA voor de klinische symptomen zorgen, namelijk een vermindering in haardichtheid in de voorste haarlinie en de het gebied rondom de kruin.[2] Ook werd ontdekt dat pseudohermafrodieten die het enzym 5α-reductase missen, nauwelijks tot geen baardgroei of AGA vertoonden. Pseudohermafrodieten zijn personen met inwendige geslachtsorganen van het ene geslacht en het uiterlijk van het andere geslacht. Uit het feit dat deze hermafrodieten geen baardgroei en AGA ontwikkelen, kon geconcludeerd worden dat DHT de belangrijkste mediator is voor het veroorzaken van haarverlies, omdat testosteron door 5α-reductase ongezet wordt in DHT. Daarbij is gebleken dat DHT in een hogere concentratie te vinden is in de gebieden waar kaalheid ontstaat.[2]

3.2 Fysiologie
3.2.1 Androgeen metabolisme

Androgenen vervullen in het menselijk lichaam verscheidene functies. Zo zijn ze betrokken bij geslachtsontwikkeling tijdens de embryonale fase en bij de ontwikkeling van mannelijke secundaire geslachtskenmerken. Ook zijn ze verantwoordelijk voor de ontwikkeling van AGA, waarbij het metabolisme van de androgenen een cruciale rol speelt.

In de literatuur is het androgeenmetabolisme zowel onder fysiologische als pathologische condities goed beschreven. Onder dit kopje wordt het androgeenmetabolisme onder fysiologische conditie beschreven. Het metabolisme kan onderverdeeld worden in een glandulaire en extraglandulaire productie, transport, ‘target cel metabolisme’ en cellulair respons. De synthese is ingewikkeld omdat het in verschillende organen plaatsvindt en in elk orgaan verloopt het anders. [2, 3] De androgeen synthese begint helemaal bij cholesterol, welke wordt omgezet in pregnolon door het enzym CYP11A1 (ook wel het P450scc ‘side-chain cleavage’-enzym of 20-22-desmolase genoemd). Na α-hydroxylering op de C17-positie snijdt de activiteit van het enzym C17-20 lyase distale koolstofgroepen, waarbij een C19 koolstof-steroid en een C17-keton in de distale ring overblijven. Deze 17-ketosteroiden maken deel uit de groep relatief zwakke androgenen zoals dehydroepiandrosteron (DHEA). Naar schatting wordt 75% van de totale DHEA en 95% van dehydroepiandrosteron-sulfaat (DHEAS) gemaakt in de bijnieren. Deze zwakkere androgenen worden omgezet in de relatief sterker testosteron zoals in de afbeelding hieronder is te zien. Testosteron is dan ook het hormoon dat het meest in het lichaam circuleert.[2, 3] In haarfollikels vindt de metabolisme route van een zwakkere androgeen naar een sterkere androgeen plaats onder invloed van de enzymen 3β-hydroxysteroide dehydrogenase/Δ5->4-isomerase (3β-HSD) en 17β-hydroxysteroid dehydrogenase (17β-HSD). In de meeste organen kan testosteron omgezet worden in DHT aan de hand van 5α-reductase (zie figuur 3.1 hier onderaan).

 Kaalheid
Figuur 3.1 Routes van androgeen metabolisme

De affiniteit van DHT voor de AR is ongeveer 5 maal hoger dan die van testosteron. Beide androgenen zijn zeer potente liganden voor de AR en kunnen worden geëlimineerd door omzetting naar een zwakker androgeen of kunnen worden gemetaboliseerd tot oestrogenen onder invloed van het enzym aromatase (niet weergegeven in figuur 3.1). Ook kunnen bovengenoemde 2 androgenen rechtstreeks geglucoronideerd worden zodat de gevormde androgeenconjugaten makkelijker uit de circulatie verdwijnen.[2, 3]
In sommige weefsels is een toegenomen androgeenmetabolisme en toegenomen androgeen-gevoeligheid waar te nemen dan in andere weefsels onder fysiologische condities. Circulerende DHEA-S kan sneller worden gemetaboliseerd worden tot DHEA via het enzym steroide sulfatase. DHEA op zijn beurt kan snel worden omgezet in androstenedion onder invloed van een verhoogde 17β-HSD activiteit. Zowel androstenedion als testosteron zijn precursoren van oestrogenen en kunnen door aromatase hiernaar worden omgezet.[2, 3] Slechts een klein fractie van de androgenen komt voor als vrije steroïden in de circulatie, met daarbij een evenwicht tussen vrije androgenen en eiwitgebonden androgenen. Het belangrijkste eiwit dat aan androgenen bindt is het geslachtshormoonbindend globuline (SHBG). Ongeveer 70% van de totale hoeveelheid testosteron bindt hieraan, 19% aan albumine en de rest is niet gebonden. Het is de vraag of gebonden androgenen nog steeds actief zijn, echter wel staat vast dat de binding van androgenen aan SHGB een belangrijke factor is in de androgeen metabolisme, gezien het zorgt voor een ‘sink-conditie’ wat betreft rondcirculerende testosteron.[2, 3] Androgeen-afhankelijke processen zijn niet het resultaat van de totale hoeveelheid individuele metabolieten, maar zijn alleen toe te schrijven aan de binding van DHT en translocatie van de receptor naar de celkern. Om die reden zal een DHT-afhankelijke cel alleen functioneren onder bepaalde condities zoals:
 Er is genoeg zwakkere androgenen aanwezig zodat deze omgezet kan worden in sterkere androgenen.
 De enzymatische activiteit van androgeen inactiverende enzymen is laag, (bijvoorbeeld aromatase)
 Functionerende actieve androgeen receptoren zijn aanwezig in voldoende mate.[2, 3]

3.2.2 Testosteron en 5α-dihydrotestosteron
In het lichaam komen 2 natuurlijke steroïde geslachtshormonen voor die een cruciale rol spelen bij de AGA-ontwikkeling: testosteron en 5α-dihydrotestosteron (DHT). Testosteron wordt onder invloed van het enzym 5α-reductase omgezet in DHT. DHT bindt 5 maal sterker aan de androgeen receptor (AR) dan testosteron zoals hierboven reeds aan bod is gekomen.[8] Het enzym dat de omzetting katalyseert, 5α-reductase, bestaat uit 2 isozymen: type I en type II. Beide typen zijn te vinden in de haarfollikels in de hoofdhuid. [9] Type II bevindt zich ook in de dermale papilla, buitenste laag van de haarwortel en een deel in de inner haarwortel. [6] De androgenen testosteron en DHT reguleren hun activiteiten door aan de androgeenreceptor te binden. Deze bindingen aan de AR bevinden zich in de nuclei van dermale papilla cellen, keratinocyten in de inner haarwortellaag en sebocyten in de talgklieren.[8] Binding van androgenen aan de intracellulaire androgeenreceptor leidt tot conformationele veranderingen van het AR-androgeen complex (ARAC) welke vervolgens naar de celkern wordt gebracht waar het functioneert als transcriptiefactor en kan binden aan androgeen-responsieve elementen in de chromatine, waarbij de expressie van androgeen gevoelige genen gereguleerd wordt aan de hand van RNA synthese. [2, 3, 8, 9] Daarnaast kunnen androgenen via een ander mechanisme de signaaltransductie voortbrengen. Dit mechanisme zal behandeld worden in hoofdstuk 5. Bij AGA blijkt de concentratie DHT in de AGA gevoelige gebieden veel hoger dan in de gebieden die niet worden getroffen door AGA. Ook ligt de concentratie 5α-reductase hoger in deze gebieden. Daarbij kan worden aangenomen dat deze plekken een verhoogde capaciteit hebben om testosteron om te zetten in DHT.[8] Deze veranderingen dragen bij aan haarverlies, echter het exacte mechanisme hoe de androgenen kaalheid veroorzaken blijft onduidelijk. Wel staat vast dat het gevormde receptor-ligandcomplex fungeert als een transcriptiefactor en dat daarmee de genen, die de follikelcyclus controleren, gereguleerd worden door androgenen.[9]

3.3 Pathofysiologie van AGA
3.3.1 Mutaties in steroïdogene enzymen

Wanneer weefsels androgenen in een versneld ritme omzetten in zwakkere androgenen, vindt er meer omzetting van testosteron naar DHT plaats. Een andere reden voor stijging van androgeensensitiviteit is te verklaren met een verhoogde expressie van AR’s in de cellen. Dit leidt tot de ontwikkeling van AGA. [2, 3]Daarbij kunnen een aantal stappen in het androgeenmetabolisme ten grondslag liggen. Een gebrek aan een van bovengenoemde steroïdogene enzymen heeft tot gevolg dat de synthese van een of meerdere klassen hormonen verstoord wordt. Dit kan met name het gevolg zijn van mutaties aan de steroïdogene enzymen en sluit goed aan op hoofdstuk 4. Hieronder zal kort een aantal genetische aandoeningen die de mannelijke seksuele ontwikkeling en haargroei aantasten aan de orde komen en zal hun rol in de pathogenese van AGA beschreven worden. Steroïde sulfatase De desulfatering van DHEA-S aan de hand van het enzym steroïde sulfatase is de eerste stap van het androgeenmetabolisme. Omdat de ontstane DHEA nog verder wordt gemetaboliseerd tot androstenedion, testosteron en DHT speelt steroïde sulfatase een belangrijke rol in de omzetting van zwakkere androgenen naar sterkere androgenen. DHEA-S is nodig om behoud van okselhaar te handhaven en is het betrokken in de pathogenese van hirsutisme bij vrouwen. Daarbij valt op dat DHEA-S en DHEA spiegels een correlatie tonen met het kalingsproces bij jonge mannen. Dit wijst erop dat steroïde sulfatase wellicht betrokken is in de pathogenese van AGA. [1-3] 17β-hydroxysteroid dehydrogenase Van 17β-HSD bestaan isozymen welke de androgenen en oestrogenen reguleren in verschillende weefselcellen. 5 verschillende 17β-HSD isozymen zijn bekend: type 1 tot en met 5 17β-HSD. De belangrijke rol die type 3 17β-HSD inneemt is te zien aan ziektes waarbij een genetisch gebrek is aan dit type enzym. Mutaties in dit type 3 17β-HSD verminderen de testosteron vorming in de foetale testikels en kunnen veroorzaken dat mannen een vrouwelijk extern geslachtsorgaan hebben ondanks dat de mannelijke urine en reproductieve wegens normaal blijven, welke ook te zien is bij mutaties in het enzym 5α-reductase. Meer dan 18 verschillende recessieve mutaties zijn gevonden die verschillende fenotypes tot expressie hebben.[1-3] Welke rol deze mutaties hebben bij AGA is nog niet onderzocht, verder uitgebreid onderzoek is vereist om hier meer over te komen weten. [1-3] 3β-hydroxysteroide dehydrogenase/Δ54-isomerase Het 3β-HSD katalyseert een cruciale stap in de biosynthese van androgenen,oestrogenen, mineraal-corticoïden en glucocorticoïden. Genoemde steroïden zijn bepalend in de differentiatie, ontwikkeling, groei en fysiologische functies van humane weefsels. Een gebrek aan dit enzym, dat wordt bestempeld als autosomaal recessief, heeft dan ook tot gevolg dat een veel te laag natriumbloedspiegel (salt-wasting) wordt gevonden. Bij foetussen veroorzaakt het gebrek een onderontwikkeld mannelijk geslachtsorgaan. Ook bij dit enzym is de rol die het bij AGA speelt niet onderzocht en is verder onderzoek noodzakelijk.[1-3] Aromatase Aromatase, een cytochroom p450 enzym, is verantwoordelijk voor de omzetting van androgenen naar oestrogenen. Het CYP19 codeert voor dit enzym en een mutatie in dit gen komt zelden voor. Virilisatie tijdens de pubertijd treedt op bij meisjes met gebrek aan dit enzym. Bij mannen is het gevolg dat zij groot geschapen zijn met buitengewone proporties van de skeletbeenderen.

In theorie ontwikkelen mannen en vrouwen met aromatase deficiëntie op een vroege leeftijd AGA. Echter, vrouwen lijken pas later in het leven AGA te ontwikkelen dan mannen, ook is de ernst van de AGA milder. Gepaard gaande met een daling van serumoestrogenen tijdens de menopauze vertonen vrouwen een versneld AGA progressie. Oestrogenen spelen een mogelijke protectieve rol spelen in de AGA-ontwikkeling omdat zwangere vrouwen met hoge oestrogeenspiegels een langer durend anageenfase van het haar blijken te hebben. Opvallend is dat haarfollikels van vrouwelijke AGA patiënten meer aromatase-activiteit vertonen dan bij mannen en dat vrouwen die aromataseremmers toegediend krijgen zeer vlug AGA ontwikkelen.[1-3] In een studie van Hoffmann R et al. (2002) is gebleken dat estradiol voor een gestegen omzetting van testosteron naar 17β-estradiol en van androstenedion naar estron in haarfollikels zorgt. Theoretisch betekent dit dat deze metabolismeroute de hoeveelheid interfolliculaire testosteron vermindert zodat minder DHT hieruit gevormd kan worden.[10] 5α-reductase 5α-reductase deficiëntie is een zeldzame autosomaal recessieve verschijning, waarbij het gaat om een gebrek aan type II 5α-reductase. In de literatuur zijn vele mutaties van het 5α-reductase gen beschreven, echter niet elke mutatie leidt tot 5α-reductase deficiëntie.[1-3] De rol die 5α-reductase in de ontwikkeling van AGA vervult, is van alle genoemde enzymen het belangrijkst. Reeds zijn er al geneesmiddelen op de markt die hierop aangrijpen, te denken aan finasteride. Er zal verder op 5α-reductase ingegaan in hoofdstuk 4.3. Oxidatieve 3α-hydroxysteroide dehydrogenase DHT wordt onder invloed van 3α-hydroxysteroide dehydrogenase (3α-HSD) geïnactiveerd tot de zwakkere androgenen androsteron en androstanediol. Theoretisch gezien zorgt de terugomzetting van deze zwakkere androgenen naar DHT via oxidatieve 3α-hydroxysteroide dehydrogenase (o3α-HSD) voor meer DHT met als gevolg dat AGA progressie optreedt. Deze terugomzetting vindt plaats in bepaalde dermale papilla cellen. Een geneesmiddel die hierop aangrijpt zou een aanwinst kunnen betekenen voor de medicamenteuze behandeling van AGA.[1-3]

3.3.2 Micro-onstekingen in de haarfollikels
In de literatuur wordt vaak over een mogelijk ander pathofysiologisch proces. Immers, het beperkte succespercentage in de behandeling van AGA met haargroeimiddelen en modulatoren van androgeen metabolisme sluit andere pathologische processen niet uit. In een aantal onafhankelijke studies wordt dan ook geïmpliceerd dat een microscopische folliculaire ontsteking mogelijk een rol speelt naast de ‘androgene route’. [11-13] In een studie werd melding gemaakt van een ontstekingsproces van geactiveerde T cellen en macrofagen in de bovenste gedeelte van het haarzakje, gevolgd door een vergroting van het folliculaire dermale laag, bestaande uit collageen bundels (perifolliculaire fibrose).[11] Er wordt gesproken van ‘micro-inflammatie’ omdat het om een traag, subtiel en pijnloos proces gaat in tegenstelling tot het inflammatoire en destructieve proces bij bepaalde klassieke vormen van alopecia waarbij ontsteking optreedt. [12] Deze bevindingen worden als controversieel beschouwd, echter morfometrische studies tonen aan dat 77% van mannelijke AGA patiënten zonder micro-inflammatie en fibrose haargroei kreeg na gebruik van minoxidil, terwijl dit percentage 55% bedraagt bij de AGA patiënten met micro-inflammatie [13]. De micro-inflammatie kan gezien worden zoals ieder ander ontsteking, namelijk een proces met meerdere stappen dat getriggered wordt door een primaire stimulus. Waarschijnlijk vindt de primaire gebeurtenis plaats in de buurt van het infundibulum waar onder andere de bacteriesoorten Propionibacterium sp., Staphylococcus sp., Malassezia sp zich bevinden.

Mogelijk spelen bacteriële toxines of antigenen een rol in het opwekken van een ontstekingsproces. Aan de andere kant reageren keratinocyten op chemische stress afkomstig van luchtvervuiling en UV straling door vrije radicalen en stikstofoxide te produceren en door intracellulaire interleukine-1 alfa (IL-1α) af te geven. Bijgelegen keratinocyten, die receptoren voor IL-1 tot expressie hebben, activeren de transcriptie van IL-1 responsieve genen. Upregulatie vindt plaats van IL-1β, TNF-α, IL-1α en bepaalde specifieke chemokines zoals IL-8 , ‘monocyte chemoattractant protein-1’ (MCP-1) en MCP-3 in het epitheel van haarfollikels. Infiltratie van T lymfocyten, macrofagen en natuurlijke killer cellen vindt uiteindelijk plaats.[3]

3.4 Fysieke gevolgen van AGA
3.4.1 Verhoging aantal telogeenharen

Zoals eerder in hoofdstuk 2 is beschreven kunnen er 3 fasen van de haargroeicyclus onderscheid worden, waarbij de telogeen fase de rustfase is. Bij AGA duurt de anageenfase steeds korter na elke cyclus, terwijl de telogeenfase hetzelfde blijft of verlengd wordt. Meer haren bevinden zich in de telogeen fase, waardoor de ratio telogeen/anageen haren beduidend stijgt. Omdat de duur van de anageenfase bepalend is voor de haarlengte, is de maximum lengte van het nieuwe anagene haar steeds korter dan het voorgaande haar. Uiteindelijk duurt de anageen fase te kort om voor het haar boven het huidoppervlak te steken en wat over blijft is dat het haarfollikel niet meer dan een huidporie wordt. [6] De verschillende fasen worden gereguleerd door verscheidene factoren. Van al die factoren lijken vooralsnog IGF-1 en stam cel factor (SCF) een rol te spelen bij haargroei. De in vitro spiegels van IGF-1 verandert namelijk als reactie op androgenen en SCF blijkt veel meer geproduceerd te worden in AGA gevoelige gebieden vergeleken met AGA ongevoelige gebieden. Aangezien SCF het ligand is voor de cel oppervlak receptor c-Kit op melanocyten, kan deze factor ook een rol spelen bij de pigmentatie van haar [3]

3.4.2 Miniaturisatie van de haarfollikels
Folliculaire miniaturisatie gaat gepaard met bovenbeschreven verandering van de haarcyclus en de gevolgen zijn te merken aan de papilla, matrix en uiteindelijk ook de haarschachten. De dermale papilla is fundamenteel bij het handhaven van de haargroei en is waarschijnlijk het doelwit voor androgenen om veranderingen in de haargroeicyclus en follikel door te laten voeren. De folliculaire epitheel cellen lijken daarentegen niet het doelwit van androgenen te zijn, maar cellen die signalen doorgegeven krijgen van dermale papilla cellen. [8] In een onderzoek van Van Scott is gebleken dat er een correlatie is te vinden tussen de dermale papilla, het haarfollikel en de haarschacht. Te concluderen was dat de grootte van de dermale papilla van groot invloed was op de grootte van een groeiende haar.[14] Bij AGA is er sprake van verlies van dermale papilla cellen. Deze bevinding van Van Scott zou op de pathogenese van AGA kunnen aansluiten en kan beschouwd worden als een fysiologisch gevolg van de pathogenese. Wel staat vast dat binding van DHT en testosteron aan de basis van alle pathologische processen staat en dat DHT de voornaamste boosdoener is. [6] Het constante geometrisch verband tussen de grootte van de dermale papilla en de grootte van de haarmatrix wijst erop dat de grootte van de dermale papilla bepaalt hoe groot de haarmatrix en zodoende een haar in het geheel is. [6] De grootte van de papilla kan beïnvloed worden door veranderingen in de hoeveelheid cellen, de extracellulaire haarmatrix en de bloedcirculatie. De daling van de hoeveelheid cellen in de papilla bij AGA dat gepaard gaat met de miniaturisatie is nog niet bekend. Gesuggereerd wordt dat dit door apoptose van de dermale papilla cellen komt. [6]

3.4.3 Apoptose in dermale papilla cellen
In een aantal onderzoeken is naar voren gekomen dat dermale papilla cellen onder fysiologische condities een sterke expressie van bcl-2, een anti-apoptotisch eiwit, vertonen. Het eiwit voorkomt geprogrammeerde celdood. Weinig is bekend wat voor invloeden androgenen hebben op celdood en de regulatie van pro-apoptotishe (bax), anti-apoptotische (bcl-2) en caspase eiwitten in humane dermale papilla cellen. [8] In een studie van Winiarska et al. werd aangetoond dat testosteron en DHT beide een dosis en tijd afhankelijk anti-proliferatief effect hebben op dermale papilla cellen. Bij een 48 uur durende behandeling met hoge, niet-fysiologische concentraties van DHT of testosteron werd een significante apoptose-inductie gevonden van dermale papilla cellen afkomstige uit occipitale kruin van gezonde AGA patiënten. In tegenstelling tot DHT werd bij testosteron naast apoptose ook enige necrose gevonden. Geconcludeerd kon worden dat dermale papilla cellen de capaciteiten hebben om te reageren op androgeen signalen afhankelijk van de concentratie androgenen. De bax/bcl-2 ratio werd beïnvloed door hoge concentraties testosteron of DHT. Sterke androgeen stimulatie is namelijk nodig om pro-apoptotische eiwitten zoals bax in dermale papilla cellen te upreguleren. [8] Hoe deze upregulatie exact plaatsvindt is vooralsnog niet bekend. [15]

3.5 Conclusie
Androgenen en genetische voorbeschiktheid staan aan de basis van de pathogenese van AGA. Daarbij is het androgeenmetabolisme van groot invloed op de hoeveelheid en verhoudingen androgenen in het lichaam. Het androgeenmetabolisme is een ingewikkeld complex en kan beïnvloed worden op bepaalde punten zoals de hoeveelheid zwakke androgenen die aanwezig zijn voor de omzetting naar sterkere potente androgenen, de hoeveelheid katalyserende enzymen die aanwezig zijn in de cellen, de ratio van omzetting en terugomzetting, de concentratie SHBG in het serum en de affiniteit van de androgenen op de AR. Verder kunnen mutaties in genen die voor steroïdogene enzymen coderen ertoe leiden dat het androgeenmetabolisme wordt verstoord en AGA tot gevolg heeft. Desbetreffende enzymen geven ook perspectief op mogelijke nieuwe drugtargets. Zo kan remming van de oxidatieve 3α-hydroxysteroide dehydrogenase activiteit in theorie AGA verminderen. Testosteron en DHT zijn de potente androgenen waar het allemaal om draait. Binding van deze androgenen resulteert in conformatieverandering van het androgeen-receptorcomplex. Het complex vormt vervolgens een transcriptiefactor en zodoende worden in de celkern eiwitten aangemaakt die uiteindelijk voor de fysiologische kenmerken van AGA zorgen. Ook in deze stappen bestaan er mogelijkheden voor aangrijpingspunten van geneesmiddelen. Zo zou men een farmacon kunnen ontwikkelen die de translocatie van het androgeen-receptor complex blokkeren of zou men een receptor antagonist kunnen ontwikkelen. Deze plekken zijn reeds aangrijpingspunten van een aantal geneesmiddelen. Een micro-inflammatie van de haarfollikels is vooralsnog niet uit te sluiten. In een aantal studies is een accumulatie van afweercellen te zien. Verder onderzoek is nodig om zeker te zijn van deze controversiële theorie. Indien er wel degelijk sprake is van een micro-inflammatie, dan kunnen anti-inflammatoire geneesmiddelen wel eens van betekenis zijn voor de therapie van AGA. Als gevolg van de pathologische processen vinden een aantal fysiologische gevolgen plaats.
De ratio telogeen/anageen haren stijgt, er vindt miniaturisatie van de haarfollikels plaats en mogelijk zorgt apoptose ervoor dat dermale papilla cellen afsterven en op die manier voor haaruitval zorgen door ook signalen te geven aan de folliculaire epitheelcellen en zodoende voor miniaturisatie van
haarfollikels te zorgen en uiteindelijk haaruitval. Gezien daarbij apoptotische en anti-apoptotische eiwitten aan bod komen, zouden geneesmiddelen op deze eiwitten kunnen aangrijpen.

Geschreven door: Dhr. W.H. Man BSc. (Universiteit Utrecht, Farmaceutische Wetenschappen)

Referentielijst:

1. Hoffmann, R., Steroidogenic isoenzymes in human hair and their potential role in androgenetic alopecia. Dermatology, 2003. 206(2): p. 85-95.

2. Hoffmann, R., Male androgenetic alopecia. Clin Exp Dermatol, 2002. 27(5): p. 373-82.

3. Trueb, R.M., Molecular mechanisms of androgenetic alopecia. Exp Gerontol, 2002. 37(8-9): p. 981-90.

6. Sinclair, R.D. and R.P. Dawber, Androgenetic alopecia in men and women. Clin Dermatol, 2001. 19(2): p. 167-78.

8. Winiarska, A., et al., Effect of 5alpha-dihydrotestosterone and testosterone on apoptosis in human dermal papilla cells. Skin Pharmacol Physiol, 2006. 19(6): p. 311-21.

9. Ellis, J.A., R. Sinclair, and S.B. Harrap, Androgenetic alopecia: pathogenesis and potential for therapy. Expert Rev Mol Med, 2002. 4(22): p. 1-11.

10. Hoffmann, R., et al., 17alpha-estradiol induces aromatase activity in intact human anagen hair follicles ex vivo. Exp Dermatol, 2002. 11(4): p. 376-80.

11. Jaworsky, C., A.M. Kligman, and G.F. Murphy, Characterization of inflammatory infiltrates in male pattern alopecia: implications for pathogenesis. Br J Dermatol, 1992. 127(3): p. 239-46.

12. Mahe, Y.F., et al., Androgenetic alopecia and microinflammation. Int J Dermatol, 2000. 39(8): p. 576-84.

13. Whiting, D.A., Diagnostic and predictive value of horizontal sections of scalp biopsy specimens in male pattern androgenetic alopecia. J Am Acad Dermatol, 1993. 28(5 Pt 1): p. 755-63.

14. Scott, V., Geometric relationships between the matrix of the hair bulb and its dermal papilla in normal and alopecic scalp. J Invest Dermatol, 1958. 31: p. 281-287.

15. Botchkareva, N.V., G. Ahluwalia, and D. Shander, Apoptosis in the hair follicle. J Invest Dermatol, 2006. 126(2): p. 258-64.

Related posts

Pnyxe Comment Box