Kanker (Behandeling)
Kanker is een relatief moeilijk behandelbare ziekte, de ziekte heeft niet een duidelijk aanwijsbare oorzaak, een virus of dergelijke. Kanker heeft zeer veel verschillende oorzaken van ontstaan, dit resulteert in een grote verscheidenheid aan therapieën. Elke therapie is een van de klasse te verdelen:
- Curatief: totale genezing
- Adjuvant: secundaire therapie, vaak een ‘hulpje’ voor de primaire therapie.
- Palliatief: pijn verlichtende therapieën, voor mensen die terminaal zijn.
Vaak is het de combinatie van de verschillende therapieën die genezing te weeg kan brengen bij een serieuze ziekte als kanker.
A5.1.0 Chirurgie
Bij de meeste vormen van kanker komt er chirurgie of heelkunde aan te pas. Chirurgie biedt de meeste kansen op genezing voor veel soorten kanker, vooral voor tumoren die zich nog niet uitgezaaid hebben.
Voor een operatie gebeurt altijd nog een reeks onderzoeken. Een uitgebreid lichamelijk onderzoek is nodig opdat de arts zich een algemeen beeld van de gezondheidstoestand van de patiënt kan vormen.
Bij chirurgie wordt het zieke orgaan weggenomen of zo goed mogelijk weggenomen. Hoeveel er wordt weggesneden, is afhankelijk van de plaats, de afmeting en het type tumor. De chirurg verwijdert meestal ook een marge gezond weefsel, al dan niet samen met de lymfeklieren in de buurt, om de kans te vergroten dat alle kankercellen weg zijn. Na de ingreep wordt het weggenomen weefsel in het laboratorium onderzocht op kwaadaardige cellen. Zeer belangrijk hierbij is het onderzoek van de snijranden. Als blijkt dat daar geen kwaadaardige cellen in worden teruggevonden, dan is de kans op een volledige genezing groot. Soms, als een chirurg twijfelt of hij wel ver genoeg is gegaan, is het mogelijk om nog tijdens de operatie het weggesneden materiaal microscopisch te onderzoeken. Terwijl de patiënt onder narcose blijft, wordt het weggenomen weefsel snel bevroren, in flinterdunne schijfjes gesneden en onder de microscoop bekeken. Deze techniek heet een “vriescoupe”. Na de operatie wordt datzelfde weefsel uiteraard ook op de klassieke manier onderzocht.
Deze techniek wordt echter niet altijd toegepast omdat ze de operatietijd verlengt en het niet altijd goed is om iemand langer dan nodig onder narcose te houden.
Heelkunde betekent niet noodzakelijk het werken met een schaar en scalpel. Voor het comfort van de patiënt en om de herstelperiode zo kort mogelijk te houden, wordt waar mogelijk (onder andere afhankelijk van de grootte en de ligging van de tumor) een kijkoperatie toegepast. Met een laparoscoop of een dunne kijkbuis met een reeks lenzen kan de arts het letsel van een afstand bekijken. Hij kan ook via extra kleine openingen lange fijne instrumenten inbrengen om zijn ingreep uit te voeren.
Een chirurgische ingreep bij kanker kan een curatieve, palliatieve of diagnostische bedoeling hebben. Bij een uitgezaaide kanker kan een palliatieve ingreep zinvol zijn om bepaalde metastases weg te nemen omdat ze bijvoorbeeld drukken op bloedvaten, zenuwbanen of de hersenen en zo coma of pijn kunnen veroorzaken. Het weghalen van de metastase kan de druk wegnemen, waardoor de nevenwerkingen ook verminderen of verdwijnen.
Bij een diagnostische operatie wordt dus eerst weefsel weggenomen en pas daarna een echte diagnose gesteld. Als ergens een geïsoleerd gezwelletje wordt ontdekt, waarvan men weet dat het er niet thuishoort, en het is redelijk gemakkelijk bereikbaar, dan zal al snel beslist worden het in zijn gehele weg te halen om het te analyseren. Pas als het verwijderde gezwel onderzocht is, wordt de diagnose gesteld.
De anesthesist, de arts die bij operaties voor de narcose zorgt, brengt de patiënt weer bij bewustzijn voor deze de operatiekamer verlaat door producten toe te dienen die de slaapmiddelen compenseren. Bij een stabiele toestand wordt de patiënt naar een zogenaamde ontwaakzaal gereden.
A5.2.0 Radiotherapie
Bij sommige vormen van kanker is bestraling de aangewezen behandelingsmethode. Wanneer vermoed wordt dat niet alle tumorcellen na een operatieve ingreep verwijderd zijn, kan ertoe worden overgegaan die cellen te doden door middel van bestraling. Ongeveer de helft van de kankerpatiënten krijgt een vorm van radiotherapie. Door bestraling zal ook gezond, actief weefsel (slijmvliezen, beenmerg, voortplantingsorganen) worden getroffen, vandaar dat de stralingdoses beperkt zijn. Door technische verbeteringen is men in staat de straling nauwkeuriger op de tumor te concentreren, maar bijverschijnselen als slijmvliesaantastingen, vermoeidheid, misselijkheid, evenwichtstoornissen en braakneigingen blijven bij sommige patiënten. Bij 20% van de bestraalde patiënten treden beschadigingen op die op lange termijn nadelige verschijnselen geven. Bestraling kan ook gebruikt worden om de pijn te verminderen, bijvoorbeeld bij tumoren die op zenuwen drukken.
Nieuw is de radiotherapie waarbij radioactieve bronnen in de tumor worden gebracht. Hierdoor is het mogelijk direct de tumor aan te pakken waardoor veel minder schade aan het omringende weefsel wordt aangericht. Naalden met iridium – 192, radioactief kobalt of radioactief goud worden in de tumor gestoken en doen zo hun werk. Bijvoorbeeld in de prostaat, waarbij jodium – 125 als ‘zaadjes’ in het prostaatcarcinoom wordt geïmplanteerd of in de baarmoeder bij baarmoederkanker. Ook kunnen holle flexibele buisjes gevuld met een radioactieve vloeistof worden ingebracht.
Verder is er natuurlijk de uitwendige bestraling, de patiënt wordt op een bank/tafel gelegd waarna er een cilindervormig object over de patiënt wordt heen geschoven. Alvorens de bestraling wordt eerst het bestralingsgebied bepaald door de assistent of therapeut. Nu kan de bestraling plaatsvinden, de patiënt zal er niks van voelen er kan eventueel na de bestraling huidirritatie optreden. Radiotherapie moet vooral als adjuvante therapie worden gezien. Adjuvant omdat radiotherapie vaak zelf niet genezend is.
A5.3.0 Chemotherapie
A5.3.1 Cytostatica
Ongeveer de helft van de patiënten dankt de genezing aan chirurgie, een kwart aan bestraling en 13% met name aan chemotherapie. Chemotherapie vindt zijn oorsprong in de Eerste Wereldoorlog. Daar werd voor het eerst mosterdgas gebruikt dat cellen van het beenmerg bleek aan te tasten. De giftige stof bleek, net als röntgenstraling, het DNA van cellen te beschadigen. Pas na de Tweede Wereldoorlog is men op grote schaal allerlei stoffen gaan onderzoeken op een mogelijke antitumorwerking. Thans zijn er tientallen stoffen die gebruikt worden bij de bestrijding van tumoren, ze worden cytostatica genoemd. In Nederland waren er in 2000 ongeveer 70 verschillende cytostatica in gebruik. Een aantal (ca. 1/3 deel van het totaal) heeft een plantaardige herkomst. Voor een deel zijn het alkaloïden, dat zijn natuurlijke gifstoffen van planten. Planten gebruiken die alkaloïden onder meer als verdedigingsmiddel tegen vraag. Ze zijn verwant aan de stof colchicine, afkomstig van de Herfsttijloos (Colchicum autumnale). Deze stof wordt gebruikt bij het maken van chromosoompreparaten. Ze werkt in op de spoelfiuur, waardoor de cel in een bepaald delingsstadium gefixeerd wordt. Vinblastine is een belangrijk cytostaticum bij zaadbaltumoren en vincristine bij leukemie bij jonge kinderen.
Een aantal andere cytostatica wordt bereid uit schimmels. De uitgang – mycine duidt daarop (mycelium = schimmeldraden). Ook zijn er cytostatica van dierlijke herkomst. Cytosine arabinose dat tegen bepaalde vormen van leukemie wordt ingezet, is een alkaloïde uit een spons. Deze stof is in het laboratorium nagemaakt. Naast dergelijke natuurlijke cytostatica zijn er ook synthetische stoffen die in het laboratorium gemaakt zijn (cisplatine bijvoorbeeld). En nog steeds is men op zoek naar nieuwe stoffen. Taxol is daar een voorbeeld van. Taxol is een gifstof afkomstig van de taxus brevifolia, (zie afbeelding). Deze stof breekt alle tubuline structuren binnen een cel af.
A5.3.2 Werking op cellulair/moleculair niveau
Bleomycine, een antibioticum, hecht zich aan DNA en veroorzaakt scheiding van de twee polynucleotide – ketens, gevolgd door breuken in de ketens. Daarna kan het DNA niet meer repliceren en termineert de celdeling. Actinomycine – D verstoort de transcriptie van het DNA – molecuul. Bij de replicatie van het DNA bij de celdeling is het antibioticum daunomycine een verstorende factor. De stof etoposide heeft een dergelijk effect. De antimetabolieten bezitten de eigenschap de replicatie van het DNA te belemmeren door blokkade van de enzymen die verantwoordelijk zijn voor de synthese van de nucleotide bouwstenen van het DNA.
Voorbeelden zijn: 5-fluorouracil (5FU) (lijkt op thymine), cytosine arabinose (lijkt op cytosine) en methotrexaat (lijkt op foliumzuur uit het vitamine B2 – complex). Foliumzuur speelt een rol bij de synthese van purinebasen (adenine, guanine). Methotrexaat blokkeert de synthese van deze purinebasen via competitieve remming.
Met behulp van deze stof worden enzymen om de tuin geleid en kiezen ze het verkeerde substraat uit. Mercaptopurine belemmert de synthese van AMP (adenosinemonofosfaat). AMP is een bouwsteen van het DNA molecuul.
Alkylerende cytostatica hebben twee reactieve groepen en veroorzaken bruggen tussen bijvoorbeeld de twee polynucleotide ketens van het DNA in de celkern (cross linking), waardoor celdeling onmogelijk wordt en de cel tot apoptose overgaat.
De cytostatica vinblastine en vincristine verstoren de spoelfiguur tijdens de mitose die een cruciale rol speelt bij het verdubbelingproces van de cel. Daarnaast zijn er nog stoffen met een wat specifiekere werking. Het enzym L-asparaginase wordt ingezet bij de bestrijding van leukemie. L-asparagine is een essentieel aminozuur voor veel leukemiecellen. Door toediening van dit enzym wordt het aminozuur L- asparagine in het bloed omgezet tot
L-aspartaat. De leukemiecellen krijgen daardoor gebrek aan dat aminozuur L-asparagine en sterven af, en gaan dus over tot apoptose. Topoisomerase remmers zijn stoffen die het isomerase proces van het DNA verstoren waardoor het DNA in een zekere zin verkeerd wordt gewonden na de deling. Dit leidt tot een gemuteerd DNA met als gevolg apoptose enz.
Vinca – alkaloïden zijn ook plantaardige stoffen die gebruikt worden als cytostaticum, deze stoffen zorgen ervoor dat een tubulineskelet van een cel niet verder kan groeien waardoor er een kankercel zich niet meer kan verdubbelen.
A5.3.3 Bijwerkingen
Bijwerkingen ontstaan doordat de cytostatica ook veel schade toebrengen aan andere weefsels met veel delingsactiviteit (beenmerg, geslachtsorganen en slijmvliezen van d het maag – darmkanaal). Het grootste probleem is dat bij gebruik van hoge doses aantasting van het beenmerg optreedt. In het beenmerg ontstaan de cellen die een rol spelen in het immuunsysteem.
Alle cytostatica zijn giftige stoffen en soms ook zelf tumorverwekkend. In de praktijk levert dat maar weinig problemen op, omdat tweederde van de patiënten ouder is dat 60 jaar en het vele jaren duurt voor een eventueel door een cytostaticum veroorzaakte kanker gevonden werd. Steeds is men bezig die stoffen zo te veranderen dat hen effectiviteit hetzelfde blijft en de giftigheid voor gezond weefsel minder wordt. Toch blijft het succes van de cytostatica – behandeling naar verhouding gering, al is het bijvoorbeeld bij de behandeling van zaadbalkanker en leukemie juist veel succes geboekt toen daarvoor cytostatica beschikbaar kwamen. Bij de meeste tumoren is genezing door alleen cytostatica meestal niet mogelijk. Ze helpen zelf om de ziekte tijdelijk terug te dringen of de klachten van een groeiend gezwel te verminder.
A5.3.4 Patiënt
De pateint zal een afweging dienen te maken tussen de gevolgen van de bijwerking van de cytostatica (misselijkheid, braken, bloedarmoede, haaruitval, soms ook zelf kankerverwekkend) en het effect op de tumor zelf. Een zware belasting voor iemand die ziek is!
A5.3.5 Chemokuur
Een tumor is opgebouwd uit cellen van een celtype. Maar die cellen bezitten onderling verschillende eigenschappen. In de praktijk werkt men daarom bij een behandeling meestal met een combinatie van verschillende cytostatica, omdat tumorcellen een verschillende gevoeligheid voor cytostatica bezitten. Met een cytostaticum krijg je niet alle cellen van de behandelde tumor weg. Soms kunnen tumorcellen na verloop van tijd immuun voor een bepaald cytostaticum. Dat gebeurt op verschillende manieren:
- Er bestaat de mogelijkheid van een membraanblokkade voor het cytostaticum waardoor het de cel niet meer kan binnenkomen.
- Soms treedt een versnelde afbraak of omzetting van het cytostaticum in het cytoplasma plaats.
- Het kan ook zijn dat de medicijnen versneld uit de cel worden weggepompt of dat het beschadigde DNA sneller hersteld wordt.
- Del cel kan de productie verhogen van een door het cytostaticum geblokkeerd enzym.
Deze resistentie is de voornaamste oorzaak voor het uiteindelijk falen van de genezing bij patiënten bij wie aanvankelijk de behandeling uitstekend leek aan te slaan en van wie de tumoren volledig leken te verschrompelen.
A5.3.6 Nieuwe behandelwijze met cytostatica
Op allerlei manieren wordt getracht om de dosis cytostaticum voor de tumorcelen te verhogen zonder daarbij de gezonde lichaamscellen te beschadigen of te doden. Al dat onderzoek is nog in een experimenteel stadium. Soms is er enig succes, maar de vooruitgang gaat met heel kleine stapjes, daarvoor is kanker een te complexe ziekte. Een paar voorbeelden van technieken die men heeft bedacht:
- Bij levertumoren wordt experimenteel de aangetaste lever uit het lichaam van een patiënt gehaald en buiten dat lichaam gehandeld met hoge concentraties cytostatica, hoger dan het lichaam zelf kan verdragen. Daarna wordt de lever weer teruggeplaatst
- Ook wordt getracht gezonde cellen minder gevoelig te maken voor cytostatica, zodat de tumorcellen zwaarder belast kunnen worden.
- Nieuw is ook de plaatselijke chemotherapie. Door rechtstreekse injecties in het beenmerg, tussen de longvliezen of in de buikholte probeert men de tumoren op de plaatsen van hogere doses cytostatica te voorzien, zodat het effect daarvan groter wordt.
- Een andere methode die men hanteert is het werken met liposomen, kunstmatige membraanblaasjes kunnen fuseren met het celmembraan, waardoor de cytostatica het cytoplasma kunnen binnendringen.
- Ook met het gelijktijdig toedien van bloedcel – stimulerende groeifactoren met cytostatica wordt geëxperimenteerd. Het idee erachter is dat groeifactoren de bijwerkingen van een cytostaticakuur kunnen wegnemen. De beenmergactiviteit zou zo gestimuleerd kunnen worden dat de dosis cytostaticum zonder probleem verhoogd kan worden. Dit bleek in de praktijk ook zo te zijn. De hoeveelheid cytostatica die toegediend kon worden ging met factor drie omhoog, maar op levensduur van de patiënt had dit helaas geen effect.
A5.3.7 Toediening
Cytostatica kunnen op verschillende manieren worden ingenomen of toegediend
• Via de mond (tablet of capsule). (Oraal)
• Via een injectie onder de huid of in een spier. (intramusculair)
• Rechtstreeks in een ader: (intraveneus)
• Door middel van een injectie; (subcutaan)
• Door middel van een infuus (intraveneuze toediening).
Een infuus kan om verschillende redenen worden aangelegd
• De cytostatica mogen niet rechtstreeks in een ader worden gespoten.
• De cytostatica moeten in een andere vloeistof worden verdund.
• De cytostatica moeten langzaam in het bloed komen.
De tijdsduur van het toedienen kan variëren van een half uur tot enkele dagen. Dit is afhankelijk van de hoeveelheid en de soorten cytostatica. De periode waarin de cytostatica worden toegediend, gevolgd door een rustperiode, heet een chemokuur. Sommige patiënten die chemotherapie krijgen, moeten gedurende een lange periode vaak worden geprikt. Omdat het aanprikken van een ader steeds moeilijker kan worden, wordt een speciaal infuussysteem ingebracht, een totaal implanteerbaar systeem. Dit bestaat uit een ‘reservoir’ (een plat, rond doosje met een doorsnede van enkele centimeters). Meestal wordt dit onder plaatselijke of algehele verdoving ingebracht. Het reservoir zit geheel onder de huid, over het algemeen een stukje boven de tepel. Het heeft aan de bovenzijde een siliconen membraan, een soort (trommel)vlies. Dit membraan kan eenvoudig door de huid worden aangeprikt. Zo kunnen medicijnen worden toegediend of er kan bloed uit worden afgenomen. Het systeem blijft onderhuids zitten zolang dit voor de behandeling nodig is. Een ander infuus dat soms nog wordt gebruikt, is een Hickman katheter. Dit is een kunststof of siliconen katheter dat in een groot bloedvat onder het sleutelbeen wordt geplaatst. Het inbrengen gebeurt onder plaatselijke of gehele narcose.
Spoeling van de blaas
De cytostatica worden in een vloeistof opgelost. Vervolgens worden de medicijnen met behulp van een katheter, via de urinebuis, in de blaas gebracht. De patiënt blijft hiermee gemiddeld twee uur liggen, waarbij hij regelmatig van houding moet veranderen. Op die manier komt het cytostaticum in aanraking met de gehele blaaswand. De behandeling moet worden herhaald en kan in totaal een jaar duren. Spoelingen met cytostatica worden toegepast bij patiënten met een oppervlakkige blaastumor. In sommige gevallen is dit de enige behandeling. In andere gevallen is het een adjuvante behandeling om de kans op terugkeer van de ziekte te verkleinen.
Isolatie – perfusie van een arm of een been
Bij deze manier van toediening van cytostatica wordt de bloeddoorstroming van een arm of een been afgesloten van de rest van het lichaam. Met behulp van een hart-longmachine krijgt de patiënt dan tijdelijk een aparte bloedcirculatie voor dat lichaamsdeel. Vervolgens wordt de arm of het been gedurende een uur doorstroomd met een hoge dosis cytostatica, aangevuld met het medicijn TNF (tumor necrosis factor ). Deze behandeling wordt geadviseerd bij patiënten met een melanoom (huidtumor) of een sarcoom (spiertumor) waarbij plaatselijk op of in een arm of been uitgebreide tumorgroei bestaat.
Cytostatica rechtstreeks in de buikholte
Hierbij wordt gebruikgemaakt van een speciale katheter. Deze wordt via de buikwand in de buikholte gebracht. Hierop wordt een infuus aangesloten waarin een cytostaticum is opgelost. Deze manier van toediening wordt met name toegepast bij vrouwen met eierstokkanker.
A5.4.0 Immunotherapie
A5.4.1 Algemeen/ non-specifiek
Bij immunotherapie gaat het om het versterken van de eigen immunologische afweer tegen tumorcellen. Deze therapie bevindt zich nog in een experimenteel stadium. Ons lichaam bezit een verdedigingssysteem dat bestaat uit cellen en antistoffen. Indringers, bijvoorbeeld virussen en bacteriën, worden erdoor onschadelijk gemaakt. Alles wat lichaamsvreemd is, wordt er door onschadelijk gemaakt. Toen bij sommige patiënten tumoren als vanzelf verdwenen, kwam de gedachte op dat het immuunsysteem hier iets mee te maken zou kunnen hebben. Immunotherapie wordt onder andere uitgetest bij patiënten met dikke darmkanker. Na de chirurgische verwijdering van het gezwel worden de patiënten ingespoten met eigen tumorcellen die door een hoge dosis straling onschadelijk zijn gemaakt. Het immuunsysteem, dat de specifieke eiwitten op het membraan van de onschadelijke cellen herkent, wordt door vaccinatie actief. Het gaat afweerstoffen maken die ook de ontstane uitzaaiingen in het lichaam te lijf gaan. Dit is een voorbeeld van non-specifieke immunotherapie, niet gericht op een speciaal soort kanker. Het principe van deze therapie is het toedienen van bepaalde virussen die een antitumor reactie zouden kunnen oproepen. Tumoren blijken gevoeliger te zijn voor deze non-specifieke therapie wanneer tegelijkertijd interleukinen (IL), interferon (INF), of cytostatica worden toegediend. Interleukinen in interferonen zijn eiwitten die als groeifactoren werkzaam zijn, o.a. bij de vorming van bloedcellen. Ze spelen ook een belangrijke rol bij de groei en differentiatie van cellen van het afweersysteem, ze zijn de signaalmoleculen van het afweer systeem, kunnen inductie veroorzaken van bijvoorbeeld een cytotoxische cel induceren om te vermeerderen en zo een bacterie uit te roeien. Het zijn eiwitten die uiterst lage concentraties actief zijn (vaak zelfs enkele picogrammen per milliliter. Met stoffen als deze is bijvoorbeeld een betere therapie voor patiënten met leukemie mogelijk. Dankzij de recombinant-DNA techniek kunnen we dit soort stoffen, we noemen ze tegenwoordig cytokinen, op grote schaal produceren. Deze bijkomstige therapie is nog steeds niet specifiek genoeg om een bepaalde kanker tegen te gaan, wel kunnen ze dus een goed hulpmiddel zijn bij bepaalde therapieën.
A5.4.2 Specifiek
Van een aantal soorten kanker weet men dat ze veroorzaakt worden door bepaalde soorten virussen. Het ontwikkelen van een vaccin tegen zo’n virus zou dan in principe het ontstaan van zo’n virus tegen kunnen gaan. Het humaan papiloma virus (HPV) is zo’n virus, veroorzaakt onder andere baarmoederhals kanker. Men heeft ontdekt dat twee eiwitten een belangrijke functie hebben bij het ontstaan van kanker. Van een van deze eiwitten wordt een afgeleid vaccin gemaakt. Na inbrengen van virus kankercellen blijkt dat de kanker niet kan handhaven, het immuunsysteem wordt dus aangepast op dit virus. Het immuunsysteem herkent het specifieke eiwit dat zich op de kankercel bevindt en zal de tumorcel vernietigen. Dit is een voorbeeld van actieve immunisatie.
Monoklonale antistoffen zijn antistoffen die door een kloon (een celfamilie van B-lymfocyten waarvan alle leden afstammen van een vooroudercel) worden gevormd. In een voedingsmedium kunnen antistofproducerende B-lymfocyten niet verder worden gekweekt, waardoor men niet in staat was grote hoeveelheden zuivere antistof te verkrijgen. Voor dat probleem bedacht Milstein in 1975 een oplossing.
Milstein bedacht een manier om B-lymfocyten te laten samenvoegen (celfusie) met verwante, maar kwaadaardige tumorcellen. Hij had nu hybride cellen gecreëerd, die en een soort antistof produceren en in een cultuur oneindig konden delen. Deze monoklonale antistoffen kunnen aangewend worden om met bepaalde antigenen in het bloed te binden waarna ze met macrofagen of natural killer cellen binden om zo de desbetreffende cel te vernietigen. Dit is een voorbeeld van passieve immunisatie. Met de grote opkomst van de biochemie is men nu instaat om deze antistoffen zo te veranderen dat ze ook als drager kunnen fungeren voor andere antitumor stoffen. Een antistof kan drager zijn van onder andere een radioactief molecuul, cytostaticum, toxines, bepaalde antisense moleculen (DNA voor productie van bepaalde eiwitten), bepaalde stoffen die antitumor reacties induceren zoals tumor necreosis factor(TNF) en andere immuun cellen zoals B- en T- cellen. Vooral het radioactieve molecuul is interessant, want de radioactiviteit zorgt niet alleen voor het kapot gaan van cellen, het is ook een makkelijke manier van traceren van een tumor, makkelijk voor bijvoorbeeld chirurgie. Verder zijn er nog verschillende vaccins mogelijk die een actieve immuunreactie kunnen induceren. Denk bijvoorbeeld aan kankercellen zelf, bepaalde eiwitten (antigenen), deeltjes van deze eiwitten, dendritische cellen (veel antigen expressie), gangliosides (antigenen op oppervlakte van tumorcel), heatshock eiwitten (heat shock inductie zorgt voor antitumor activiteit), bepaalde vectoren die genetisch zijn aangepast en RNA of DNA dat codeert voor antigenen zodat er een grotere kans is op een afweer reactie. Naast de aanwijzende functie van antistoffen kunnen ze ook apoptose induceren, groeifactor binding voorkomen wat tot een groeistop leidt en lysis induceren, zie het figuur hierboven. Verder is er nog de adoptieve methode, dit houdt in dat je een aantal tumorcellen uit het lichaam van een patiënt haalt en deze scheidt van de aanwezige lymfocyten Het tumorcellen deel wordt genetisch verandert zodat het specifieke antigenen aanmaakt. Het andere deel wordt ook genetisch aangepast zodat het de specifieke antigenen kan binden die we ook terugvinden op het celoppervlak van de betreffende tumorcellen. Voeg deze twee samen en breng ze weer terug in dezelfde patiënt, dit leidt tot een zeer versterkte immuunreactie en ook specifiek per cel. Een van de grote problemen bij al deze therapieën is dat het eigen immuunsysteem vaak de gevaccineerde stoffen als lichaamsvreemd beschouwd. Het gehoopte effect blijft uit omdat de actieve stof wordt afgebroken.
A5.5.0 Hormoontherapie
Het principe van hormoon therapie bij kanker is heel simpel. Te veel hormonen kunnen mutageen zijn, ze kunnen dus ongeremde celdeling of remming van apoptose induceren. Het is de bedoeling dat deze hormonen dus niet aangemaakt worden en geremd worden. Dit kan d.m.v. zogeheten antihormoon stoffen die het hormoon remmen. Verder is het mogelijk om via de genetische weg te zorgen voor minder stimulans voor de aanmaak van hormonen.
A5.6.0 Gentherapie
Gentherapie is een therapie die ingrijpt in het menselijke genoom. Er zijn verschillende manieren van het zo aanpassen van het DNA dat het naar behoren functioneert of het gewenste effect teweegbrengt. Bij kanker – gentherapie zijn er eigenlijk 3 soorten genen waaraan wordt “geknutseld”:
- Proto – oncogenen
- Tumor suppressor genen
- DNA herstel- en replicatie genen

Verschillende manieren om deze veranderingen te induceren:
- d.m.v. een virus vector
- blokkeren van bepaalde genen d.m.v. van een soort probe
- blokkeren van eiwitten d.m.v. inhibitors
- DNA codeert voor eiwit, eiwit zorgt voor ander eiwit, gevolg is minder groei, of apoptose.
- Telomerase remmers, fout in telomerase vorming induceren d.m.v. vector DNA.
A5.7.0 Alternatieve therapieën
Er zijn duizenden alternatieve therapieën. Een aantal van deze therapieën worden hieronder besproken.
- Diëten: Bijvoorbeeld het Moerman dieet, deze diëten zijn gebaseerd op het feit dat er veel zuurstof radicalen worden uitgescheiden die toxisch zijn. Bij deze diëten wordt dit feit verminderd, dus minder toxine werking, minder kans op kanker, snellere genezing.
- Psychologische therapieën: Bij deze therapie is een grote diversiteit. Voor een groot deel heeft het zenuwstelsel en perikelen te maken met de psychische staat van iemand. Met dit feit in de hand worden vaak kalmeringstherapieën toegepast. Ook is er een soort van meditatie mogelijk, reflecteer je kanker op iets buiten je.
- Het slikken van veel vitamine C: Vitamine C helpt bij de celopbouw, bijvoorbeeld bij veel schade na chemo heel erg handig.
- Angiogenese remmers: Angiogenese is de vorming van bloedvaten rondom de tumor, dit kan d.m.v. remmers worden gestopt, waardoor de tumor zonder voedingsstoffen komen te zitten waarna het in apoptose zal gaan.
A5.8.0 Hyperthermie
Hyperthermie betekent letterlijk ‘verhoogde temperatuur’. Het is bekend dat kankercellen slechter tegen een hoge temperatuur kunnen dan gezonde cellen en daarvan wordt bij deze behandeling dan ook gebruik gemaakt.
Hyperthermie is de behandeling van kanker met warmte. Dit houdt in dat het kwaadaardige gezwel met microgolven verwarmd word tot een temperatuur van 40 tot 45°C. De microgolfstraling op zich is niet schadelijk. Zodra de straling in het lichaam komt, wordt die plaats warm. De hoge temperatuur heeft een schadelijk effect op de kankercellen. Helaas gaat slechts een deel van de kankercellen hierdoor dood en andere kankercellen worden door deze behandeling gevoeliger voor een andere behandeling. Vandaar dat men een hyperthermie behandeling combineert met een tweede behandeling, meestal is deze bestaling (radiotherapie). De combinatie van deze twee therapieën levert vaak een beter resultaat dan de losse therapie zelf. Op dit moment is behandeling met hyperthermie alleen nog mogelijk in enkele gespecialiseerde ziekenhuizen.
A5.8.1 Diepe en oppervlakkige hyperthermie
Er zijn twee soorten hyperthermie behandelingen; diepe hyperthermie – behandeling en oppervlakkige hyperthermie – behandeling.
Bij oppervlakkige hyperthermie – behandeling ligt de tumor niet zo diep in het lichaam, dat wil zeggen niet meer dan ongeveer 4 centimeter onder de huid. Bij deze vorm van behandeling is het de bedoeling dat het oppervlakkige weefsel verwarmd wordt. De temperatuur van het water is dan ook vrij hoog. Een oppervlakkige hyperthermie – behandeling wordt 1 maal per week gegeven.
Bij diepe hyperthermie – behandeling bevindt de tumor zich tamelijk diep in het lichaam, dat wil zeggen meer dan ongeveer 4 centimeter onder de huid. Daarom wordt gekozen voor een diepe hyperthermie – behandeling. Bij diepe hyperthermie – behandeling moet het oppervlakkige weefsel juist goed gekoeld worden. De temperatuur van het water wordt daarom laag gehouden. Een diepe hyperthermiebehandeling wordt één maal per week gegeven, meestal 4 à 6 weken achtereen.
A5.8.2 Bijwerkingen
De belangrijkste bijwerkingen bij hyperthermie zijn brandwonden in het behandelde lichaamsdeel.
• Bij oppervlakkige hyperthermie ontstaan deze brandwonden meestal in de huid. Dit kan vooral gebeuren als daar tijdens de behandeling geen pijn gevoeld wordt (bijvoorbeeld ten gevolge van een eerdere operatie). Er kan dan namelijk niet tijdig gewaarschuwd worden dat de temperatuur te hoog oploopt. Gelukkig ondervindt de patiënt in dat geval waarschijnlijk ook weinig last van deze brandwonden. Bovendien genezen zulke brandwonden vrijwel altijd zonder problemen.• Bij diepe hyperthermie ontstaan soms brandwonden in het vetweefsel of in het spierweefsel in het lichaam. Dat voelt dan aan als spierpijn. Deze pijn kan een paar dagen aanhouden maar verdwijnt daarna vanzelf.
Andere klachten kunnen zijn:
• Bij een behandeling met diepe hyperthermie kan de patiënt het in het begin korte tijd koud krijgen.
• Na afloop van een behandeling met diepe hyperthermie kan men zich vermoeid voelen.
• De latere behandelingen kunnen zwaarder voelen. Dit is dan vooral een gevolg van de bijwerkingen van de bestraling of chemotherapie.
A5.8.3 Toepassingen
Lang niet bij alle typen tumoren wordt hyperthermie als behandelmethode toegepast. Men past hyperthermie vooral toe bij:
• baarmoederhalskanker
• melanomen
• uitzaaiingen in het littekengebied na een borstamputatie vanwege borstkanker.
• hersentumoren
• prostaattumoren
• tumoren in het hoofd/ hals gebied.
Daarnaast past men hyperthermie soms toe bij andere soorten kanker, zoals:
• endeldarmkanker na eerdere bestraling
• bepaalde bottumoren (sarcomen)
• borstvlieskanker (mesothelioom)
Hyperthermie wordt als behandeling nog niet op grote schaal toegepast, maar dit is wel een therapie in opkomst.
Geschreven door: Dhr. Arash Khamooshian , BSc (Universiteit Utrecht, SUMMA,Biomedische Wetenschappen)
Referentielijst:
Behandeling
“biologische begrippen en processen toegelicht aan kanker”: Cellen uit formatie
Zon Uitgeverij BV. Leiden 1994, Koningin Wilhelmina Fonds
http://www.radiotherapie.nl
http://www.kwfkankerbestrijding.nl
http://cis.nci.nih.gov
http://www.cancerbacup.org.uk/
http://www.cancerquest.org/
http://cancernet.nci.nih.gov
http://www.medscape.com
http://www.biocarta.com/
http://www.kankerwiehelpt.nl