Kanker (Symptomen, Diagnose & Preventie)
Symptomen
Vroege ontdekking betekent bij veel vormen van kanker meer kans op genezing. Kanker is alleen te ontdekken aan de hand van bekende signalen, ook wel symptomen genoemd. Een aantal worden hieronder weergegeven:
- Verandering in moedervlekken, andere pigmentstructuren wratten wat betreft grootte, kleur en oppervlaktestructuur.
- Knobbels, denk bijvoorbeeld aan knobbeltjes in de borsten bij vrouwen.
- Zwellingen van lymfeklieren (hals, oksels, liezen).
- Aanhoudende hoest en heesheid.
- Ongewone vochtafscheiding uit een lichaamsopening (vagina, tepelvocht).
- Bloed in urine, moeilijk urineren, pijnlijk urineren.
- Aanhoudende darmklachten (diarree, verstopping).
- Problemen met slikken.
- Aanzienlijk gewichtsverlies zonder duidelijke aanleiding.
Deze symptomen kunnen natuurlijk ook voor andere ziekten gelden. Het is elk geval raadzaam om bij bovengenoemde signalen een arts te raadplegen.
Diagnose
Diagnose van een kanker stellen is moeilijk. Voordat duidelijk is met welke kanker men te doen heeft, zijn er veel stappen van onderzoek nodig. De diagnosestelling van kanker heeft de laatste decennia een duidelijke stap voorwaarts gemaakt. Tegenwoordig is het mogelijk om snel en effectief een kanker te diagnosticeren. Dit wordt voor een groot deel mogelijk gemaakt door de technieken die zijn ontwikkeld rondom de kankerdiagnostiek. Verschillende kankers levert verschillende technieken op, de onderstaande tekst is een algemene weergave van de technieken die zoal bij kankerdiagnostiek worden gebruikt.
A4.1.0 Diagnose methoden
A4.1.1 Biopt van de tumor
Bij huidgezwellen of bij bepaalde huidziekten kan er eerst een biopsie genomen worden. Hierdoor kan er door de patholoog bepaald worden wat er precies mis is met de huid.Bij een biopsie worden met een kleine ingreep cellen of weefsels weggenomen en onderzocht onder een microscoop. Er zijn verschillende soorten biopsies, naaldbiopsie, incisiebiopsie en excisiebiopsie.
Bij een naaldbiopsie brengt men onder lokale verdoving een dikkere naald via een kleine insnede ( 0,5 cm) in het gezwel in. Daarmee wordt een stukje weefsel of vocht opgezogen. Dat wordt nadien bestudeerd onder de microscoop. Als er geen kankercellen gevonden worden (de naaldbiopsie is dus negatief), betekent het niet noodzakelijk dat de patiënt geen kanker heeft: men is immers nooit zeker of men op de juiste plaats geprikt heeft. Als er wel kankercellen gevonden worden (bioptie is dan positief), dan heeft men niet alleen zekerheid, maar kan er ook uitgemaakt worden over welk type cellen het gaat en hoe kwaadaardig ze zijn.
Bij een incisiebiopsie wordt onder lokale of algemene verdoving een insnede gemaakt ter hoogte van het gezwel. Uit het gezwel wordt een stukje weefsel gesneden en later onderzocht in het lab. Deze methode is betrouwbaarder dan een naaldbiopsie. Het gezwel zelf wordt indien nodig pas in een volgende fase volledig weggesneden. Deze methode wordt ook gebruikt als het niet mogelijk of gevaarlijk is om het gezwel volledig weg te halen (bijvoorbeeld omdat de tumor op een delicate plaats in de hersens zit).
Bij een excisiebiopsie wordt niet in het gezwel gesneden, maar wordt onmiddellijk het hele gezwel weggesneden, met een ruime rand gezond weefsel erom. Vooral bij kleine gezwellen kiest men voor een excisiebiopsie. Deze methode komt zeer dikwijls voor, vooral bij oppervlakkige tumoren en huidtumoren.
A4.1.2 Bloedonderzoek
De belangrijkste reden om bloedonderzoek te doen is het opsporen van een ziekte en bevestiging of uitsluiting van een bepaalde aandoening te krijgen. Met bloedmonsters zijn enkele honderden verschillende onderzoeken en bloedbepalingen te doen. Voor het laten doen van bloedonderzoek, vult de (huis)arts meestal een aanvraagformulier in voor het laboratorium. Het bloed kan in principe worden afgenomen op iedere willekeurige plaats van het lichaam waar een bloedvat dicht onder de huid loopt. Enkele milliliters bloed, doorgaans opgevangen in een klein glazen buisje, kan genoeg zijn om een hele serie onderzoeken te doen. Verder is er ook de mogelijkheid tot het tellen van bloedcellen. Het afgenomen bloed wordt in een speciaal apparaat gedaan De grootte en de vorm van rode bloedcellen, witte bloedcellen en bloedplaatjes wordt gemeten Het is een belangrijk onderzoek, bijvoorbeeld om informatie te krijgen over bloedarmoede, leukemie en infecties.
Chemische analyse
Het afgenomen bloed gaat in een centrifuge. Het bloedplasma komt hierdoor boven drijven. Het plasma gaat in een analyse – apparaat, waaraan een computer is gekoppeld. De bloedwaardes verschijnen op het scherm, deze waarden bieden informatie over de gezondheid van het lichaam.
Hemoglobine test
Hemoglobine is een ijzerhoudend eiwit dat in rode bloedcellen zit en dat zorgt voor de transport van zuurstof. Hemoglobine kan worden bepaald met een vingerprik. Het bloed gaat in een analyser, en een detectiestof reageert met stoffen in het bloed. Een te laag hemoglobinegehalte kan een rol spelen bij beenmergtumoren.
A4.1.3 Urineonderzoek
Urine voert afvalstoffen, zouten en water af. De nieren halen deze stoffen uit het bloed. Ze houden zo het bloed schoon en zijn betrokken bij de regulatie van de bloeddruk. De voornaamste reden van urineonderzoek is het opsporen van stofwisselings- en nierziekten. Hierbij komen bepaalde stoffen te veel of te weinig voor.
Fysische analyse
Fysische analyse is een snelle test, waarbij men kijkt naar afwijkende kleur of helderheid, en waar van vervolgens de oorzaak via chemisch en/ of microscopisch onderzoek kan worden opgespoord.
Als de urine lichtgeel is scheidt men teveel water af, waardoor de urine verdund is. Dit duidt niet op een aandoening. Donkergele urine is juist geconcentreerd, het bevat dus weinig water, geen aandoeningaanwezig. Rode urine kan komen door voedsel, bijv. door bieten maar hier is natuurlijk ook niets aan de hand. Het kan echter ook komen door rode bloedcellen, dit duidt op een (nier)aandoening. Zeer donkerbruine urine duidt op de aanwezigheid van spiereiwitten of afgebroken hemoglobine. Zwarte urine ontstaat door de aanwezigheid van kleurstoffen uit melanomen, huidkankercellen. Troebele urine kan twee oorzaken hebben, het kan komen door ongevaarlijke urinekristallen of door (sperma)cellen.
Kleuring van de urine kan ook komen door bacteriën of bloedcellen, de kleur kan dus ook op andere aandoeningen duiden.
Chemische analyse
Bij deze analyse worden specifieke stoffen aangetoond. Dit gebeurt bijna altijd met zogeheten
dipsticks. Dit zijn kant en klare teststrips die via een kleurreactie de aanwezigheid van bepaalde stoffen kunnen aantonen. De detectiestoffen zijn in vaste vorm op de teststrip aangebracht. De teststrip wordt in een buisje met urine gebracht. De strip wordt eruit gehaald, na enkele minuten verschijnen de resultaten. De verschillende kleuren tonen ieder een bepaalde stof aan. Zo kan men zien welke stoffen aanwezig of afwezig zijn.
Microscopische analyse
Waneer er bij fysische en/of chemische analyse onregelmatigheden te zien zijn volgt er vaak een microscopische analyse. Daarbij kijkt men naar het soort en aantal deeltjes, kristallen of andere substanties, die aanwezig zijn.
A4.1.4 Radiologisch onderzoek
Röntgen ontdekte het principe van door het lichaam heen kijken met straling. Ook voor de kankerdiagnostiek heeft zijn uitvinding veel kunnen betekenen. Tegenwoordig is een radiologisch onderzoek van evident belang voor de kankerdiagnostiek. Vaak kan door middel van dit onderzoek een snelle diagnose worden gesteld.
Digitaal
Tegenwoordig is de röntgenfoto nog steeds een veel gebruikte methode bij de diagnostiek van kanker. Longfoto’s brengen longafwijkingen in beeld en röntgenopnames van de borsten verraden de aanwezigheid van verdachte knobbeltjes. De uitvinding van contrastvloeistof, een middel dat de röntgenstraling sterk weerkaatst, maakte het mogelijk ook onderzoek te doen aan de maag, de darmen, de nieren of de gal. De gevoeligheid van de röntgenfoto is recent verder opgevoerd. Vervanging van het oude fotopapier door een digitale plaat zorgen voor een nog groter contrast in de opnames.

CT-scan
Een CT-Scan (scanner) werkt met Röntgenstralen. Zoals bij klassieke radiografie wordt de patiënt doorlicht. Voor gewone röntgenopnamen wordt de patiënt doorlicht vanuit een vaste röntgenbuis. De overblijvende X-stralen belichten een film. In de CT – Scan worden de beelden echter gemaakt door een röntgenbuis die rond de patiënt draait. Ook wordt er geen rechtstreekse belichting van de film gemaakt, doch de overblijvende X-stralen worden opgevangen door een ring van detectoren.
Deze sturen signalen naar een krachtige computer die hieruit een CT-beeld op een beeldscherm kan samenstellen. Nadien kan men eventueel afdrukken van deze beelden maken. De CT-scan heeft het voordeel dat niet alleen de beenderen doch ook de “weke weefsels” (spieren, organen) rechtstreeks zichtbaar worden gemaakt. Een ander belangrijk verschil is dat een röntgenopname eigenlijk een superpositie weergeeft van de verschillende organen. De CT – beelden tonen doorsneden van het lichaam zodat elk orgaan apart beter beoordeelbaar is. Afhankelijk van de probleemstelling is het frequent nodig een kleurstof (contrastproduct) toe te dienen. Alle weke weefsel hebben immers ongeveer dezelfde densiteit (grijswaarde) zodat het zonder contrast moeilijk is aanliggende structuren of normale van abnormale weefsels te onderscheiden. Voor veel toepassingen wordt dus via een ader in de arm een contraststof ingespoten.

Bij een spiraal CT-scan zijn er geen stroomkabels meer tussen de draaiende buis en het toestel zelf: door gebruik van slipring technologie wordt de elektrische stroom als de verkregen digitale beeldinformatie doorgestuurd langs glijdende contacten. Dit heeft als grote voordeel dat de buis kan blijven ronddraaien zonder telkens te moeten terugkeren naar de beginpositie. Een onderzoek wordt nu uitgevoerd in één glijdende beweging terwijl de buis blijft ronddraaien. De verkregen informatie heeft als het ware de vorm van een spiraal of een springveer. Door hieruit stukjes informatie te “knippen” via speciale logaritmen kunnen doorsneden van de patiënt worden afgebeeld. Een gewone spiraal CT-scan heeft 1 ring van detectoren. Een multi-slice spiraal CT-scan heeft tegenwoordig 4 rijen detectoren. Dit heeft tot gevolg dat bij elke rotatie 4 maal meer informatie wordt verkregen: eenzelfde volume kan dus 4 maal sneller worden gescand of met veel dunnere sneden (meer detail) worden uitgevoerd. De combinatie van deze technieken is dus bijzonder voordelig: een onderzoek kan veel sneller worden uitgevoerd dan vroeger: de longen of de buik kunnen bijvoorbeeld in 15 seconden (ipv 15 minuten) worden gescand wat voor de patiënt veel aangenamer is en ook een betere diagnostiek oplevert (bv. door een betere contrast aankleuring), er kunnen veel meer beelden worden gemaakt: waar vroeger een buikonderzoek ongeveer 40 sneden telde, worden nu 80 – 150 sneden uitgevoerd (afhankelijk van het gewenste detail). Deze sneden kunnen worden gereconstrueerd om hieruit beelden in andere snijvlakken samen te stellen, of 3-dimensionele afbeeldingen te maken.
MRI scan
MRI is een afkorting van magnetic resonance imaging, ook genoemd magneetscan. Bij deze afbeeldingstechniek komt de patiënt te liggen in een lange tunnel die een sterke magneet bevat, waarmee het water in de weefsels gemagnetiseerd wordt. Dat berust op het feit dat in het weefsel de wateratomen (eigenlijk zijn het de waterstofatoomkernen) zich als miniatuurmagneetjes kunnen gedragen. Verder worden vanuit de scannertunnel radiogolven uitgezonden van een golflengte die de watermagneetjes als het ware doen meetrillen (men noemt dat resoneren) waarbij ze energie uit de radiogolven in zich opnemen. Als de radiogolf wordt gestopt wordt de eerder opgenomen energie weer uitgezonden als een signaal waarin allerlei bijzonderheden van het weefsel zijn vervat. Uit deze signalen kan de computer van het apparaat de samenstelling van de verschillende weefsels berekenen en ze uittekenen in de vorm van een doorsnede (de MRI – scan). Gebieden waar geen water is, zoals lucht of bot, geven geen signaal en zijn zwart op de scan. Ook hangt het signaal af van de duur van de perioden waarin de radiogolven worden uitgezonden, omdat hiermee bepaalde kenmerken van de magnetisatie (T1 en T2) tot uiting worden gebracht. Zo kan men zogenaamde T1-gewogen beelden verkrijgen waarin de eigenschap T1 de overhand heeft; op deze beelden verschijnen liquor (hersenvocht) en waterrijke structuren donker.
Daarentegen zijn liquor en waterrijke structuren op T2-gewogen beelden juist wit. Door de keuze van de T1- of T2-weging kan men van de weefsels bepaalde aspecten zichtbaar maken. MRI – beelden zijn daarom zeer gedetailleerd in het vertonen van de verschillende weefsels, maar een nadeel is dat het bot zelf niet zichtbaar is (wel het beenmerg), omdat het bijna geen water bevat. Met de MRI kan de aard van het weefsel nader worden onderzocht met behulp van spectroscopie. Wanneer bepaalde stoffen op bepaalde plaatsen in verhoogde concentraties worden aangetroffen kan dit wijzen op b.v. de aanwezigheid van een tumor. Men kan ook de functie van bepaalde hersendelen nagaan door tijdens het onderzoek de patiënt bepaalde opdrachten te laten uitvoeren (b.v. lezen of herkennen van afbeeldingen). Als de corresponderende hersendelen daardoor actief worden is dit met de MRI aan te tonen. Zulk onderzoek is belangrijk voor het precies lokaliseren van neurologisch belangrijke gebieden.

PET-scan
Positron Emissie Tomografie, kortweg PET genoemd, wordt gebruikt voor veel verschillende onderzoeken. De PET – scan wordt meestal gebruikt om eventuele uitzaaiingen op te sporen. PET is een beeldvormende techniek waarbij een radioactieve isotoop (een radionuclide) wordt ingebracht bij de patiënt. Deze isotoop produceert tijdens zijn verval positronen oftewel elektronen met positieve lading (anti-elektronen). Daarmee kan een driedimensionaal beeld worden gevormd van de verdeling in het lichaam van deze radionucliden. In de cellen van het lichaam worden bepaalde voedingsstoffen gebruikt, bijvoorbeeld eiwitten en suikers. Een PET – camera kan dergelijke voedingsstoffen in beeld brengen. Deze stoffen kunnen, nadat ze in een laboratorium zijn gemaakt, aan een patiënt toegediend worden. De toegediende stof verdeelt zich, afhankelijk van de stofwisseling, in het lichaam. Met behulp van een PET – camera en computer kan de verdeling in beeld worden gebracht. Afwijkingen van de normale stofwisseling, zijn op deze manier zichtbaar te maken. Met de PET – scan is het mogelijk kankercellen via stofwisselingsprocessen in beeld te brengen. De meeste kankercellen hebben een verhoogde stofwisseling, waarbij er zeer veel suiker verbruikt wordt. Door aan suikermoleculen een radioactieve stof te koppelen is het mogelijk om kankercellen zichtbaar te maken.
Radiografie met contrastvloeistof
Soms zijn de verschillen in weerstand voor röntgenstralen tussen de verschillende weefsels zo klein, dat een arts niet voldoende details kan zien. Als men bijvoorbeeld wil zien of er binnen in de darm een gezwel zit, dan is het met gewone röntgenfoto’s vaak niet mogelijk om het verschil te zien tussen het gezwel, de darm en het vocht of de voeding in de darm. Door de patiënt een papje te laten drinken met barium (een stof die röntgenstralen zeer sterk tegenhoudt), wordt de inhoud van de darm op de foto zeer wit en tekent een eventueel gezwel zich als een zwarte bol in het wit af. Er zijn zeer veel situaties waarbij contraststoffen gebruikt worden om betere beelden te maken. Een skeletscintigrafie is een onderzoek waarmee eventuele uitzaaiingen in de botten zichtbaar gemaakt kunnen worden. Voor dit onderzoek wordt een radioactieve stof toegediend in een ader van de arm. Na enkele uren heeft het skelet voldoende radio-actieve stof opgenomen. Dan worden er foto’s gemaakt. De hoeveelheid radioactiviteit die bij dit onderzoek gebruikt wordt, is gering. Schadelijke effecten zijn daardoor niet te verwachten.
Preventie
Er zijn een aantal zaken die verband houden met het ontstaan van kanker. Er wordt veel onderzoek gedaan naar het voorkomen van kanker omdat voorkomen beter is dan genezen. Het lichaam krijgt vaak een grote schok bij de behandeling en geestelijk is het ook moeilijk om over zoiets heen te komen.
Er zijn veel dingen die men kan doen om te voorkomen dat kanker ontstaat. Enkele van deze dingen zijn:
• Gezond eten
• Geen blootstelling aan gevaarlijke stoffen
• Geen blootstelling aan straling
Deze dingen zijn belangrijk omdat men kanker kan krijgen als er veel van deze zaken worden overschreden.
A6.1.0 Gezond eten
Dit is belangrijk omdat als je niet gezond eet je afweersysteem omlaag gaat en je minder weerstand hebt tegen ontspoorde cellen. Ook kunnen bacteriën (zoals helicobacter pylori) makkelijker een probleem veroorzaken. Het is belangrijk hierom om voldoende groente te eten en niet veel vlees en onverzadigde vetten en ook niet teveel suiker en zouten. Verder is het belangrijk om geen overgewicht te hebben en veel te bewegen. De kans om kanker te krijgen als dit patroon gevolgd wordt neemt met 25% af. En voorbeeld bij gezond eten is vitamine B-12. Deze vitamine zorgt ervoor da het DNA Een ander voorbeeld is caroteen. Dit zorgt er ok voor dat kanker minder snel vat krijgt. Er zijn 2 caroteensoorten bèta en alfa. Deze zijn beide nodig en niet altijd in hoge concentraties dus is het belangrijk om niet alleen wortels te eten maar het gevarieerd te houden. Nog een ander voorbeeld is vitamine c. Vitamine c is giftig voor een kankercel. Hoewel er een studie is naar het vernietigen van kanker met vitamine C komen de dosissen van een normaal gebruik niet in de buurt van zulke dosissen, toch is het goed om er genoeg van in te nemen omdat het altijd het risico vermindert.
A6.2.0 Tabak
Bij het roken van tabak krijgt men veel carcinogene stoffen binnen. Carcinogene stoffen zijn stoffen die kanker veroorzaken. Daarom is het stoppen met roken of niet andermans rook inademen ook een vorm van preventie. De stof nicotine is een stof die longcellen aanzet om sneller te gaan delen en verhoogd hierdoor de kans op kanker. Van alle kankergevallen komt 30% door roken of meeroken. Bij het roken krijgt men de volgende stoffen onder andere binnen:
Teer: Een verzamelnaam van allerlei verbrandingsproducten van tabak. Teer kan o.a. bronchitis en longkanker veroorzaken.
Nicotine: Een vloeistof die zeer vluchtig is en bruin wordt zodra hij in aanraking komt met de lucht. Nicotine is de verslavende stof in tabak.
Koolmonoxide: Een gas dat het transport van voldoende zuurstof in je bloed belemmert.
Ammoniak: Een prikkelend gas dat de slijmvliezen kan irriteren.
De grootste schadelijke factor ligt hierbij bij de teer. Dit komt omdat dit niet geheel verbrande stoffen zijn en daardoor krijg je snel stoffen die gevaarlijk zijn.
A6.3.0 Straling
Straling lijkt iets waar niet vaak mee in aanraking gekomen wordt, maar dat is juist niet waar. Overal is straling. Van de zon, van een telefoon, van een magnetron en nog veel meer. Straling wordt veroorzaakt door talloze natuurkundige processen, zoals radioactief verval, kernsplitsing of kernfusie, (hoge)temperatuur, of door materialen zoals gassen die kunnen gaan stralen onder invloed van elektriciteit. Straling wordt dikwijls onderverdeeld in twee soorten: ioniserende en niet-ioniserende straling, om de energie en het gevaar van de straling aan te duiden. Ionisatie is het verwijderen van elektronen van atomen, waardoor elektrisch geladen deeltjes (ionen) achterblijven. Hierdoor treden chemische veranderingen op in de bestraalde moleculen, wat dergelijke straling vaak gevaarlijker maakt voor organismen.
• Niet-ioniserende straling: Vele stralingsvormen, zoals warmte, zichtbaar licht, microgolven, of radiogolven hebben onvoldoende energie om elektronen van atomen te verwijderen en worden daarom niet-ioniserende straling genoemd. Zo wordt voor warmte, bij voorwerpen op kamertemperatuur, de meeste energie uitgezonden op de golflengte van infrarood.
• Ioniserende straling: Negatief geladen elektronen en positief geladen nucleonen welke gevormd worden door ionisatie kunnen schade berokkenen aan levend weefsel. De term radioactiviteit verwijst gewoonlijk naar het vrijkomen van ioniserende straling. Ook hoogenergetische elektromagnetische straling is ioniserend (röntgenstraling, gammastraling).
Radioactieve materialen produceren meestal alfastralen (deeltjes, de kernen van de atomen van helium), bètastralen (snel bewegende elektronen) en/of gammastralen (elektromagnetische golven met een hoge energie).
Alfastralen worden al door een vel papier pas bètastralen door een dunne staalplaat tegengehouden. Ze veroorzaken de meeste schade als de stoffen waardoor ze worden geproduceerd geabsorbeerd worden in het menselijk lichaam (met het voedsel of door inademing). Gammastralen zijn minder ioniserend dan alfa- of bètastralen, maar hebben een groot doordringend vermogen. Bescherming tegen die stralen vraagt een dikkere laag. Ze veroorzaken schade vergelijkbaar met de schade veroorzaakt door röntgenstralen, zoals brandwonden, genetische mutaties (veranderingen aan het DNA van de cellen), en (als gevolg hiervan) soms kanker. Het menselijke lichaam biedt weerstand aan deze mutaties door de meeste gemuteerde DNA strengen als defect te herkennen en af te breken of te repareren.
Geschreven door: Dhr. Arash Khamooshian , BSc (Universiteit Utrecht, SUMMA,Biomedische Wetenschappen)
Referentielijst:
Symptomen
“biolosiche begrippen en processen toegelicht aan kanker”: Cellen uit formatie
Zon UItgeverij bv. Leiden 1994, Koningin Wilhelmina Fonds
Diagnose
http://www.diagnose-kanker.nl/
http://kanker.coolbegin.com/
Preventie
http://www.kanker-actueel.nl