Reisziekte
Reisziekte, ook wel bewegingsziekte of kinetose genoemd, is een ziekte die kan ontstaan bij beweging of schijnbare beweging [1]. Voorbeelden zijn zeeziekte, wagenziekte en luchtziekte, die zich onder andere kunnen voordoen bij het reizen per auto, bus, trein, kameel, olifant, boot, ferry, vliegtuig, helicopter of hovercraft [2]. Ruimtevaarders kunnen tijdens een vlucht last krijgen van ruimteziekte. Maar ook het kijken naar bewegende beelden (terwijl men zelf niet beweegt) kan reisziekte veroorzaken [1]. Hierbij kan gedacht worden aan bewegingssimulators en virtuele omgevingen. Een ander recent voorbeeld is de film Cloverfield die in zijn geheel met schokkerige handcamera’s is opgenomen, waardoor sommige mensen bij het kijken naar de film in de bioscoop ziek werden [3].
Een van de eerste verschijnselen die vaak optreedt bij reisziekte is het bleek worden van het gezicht [4]. Verder kunnen geeuwen, slaperigheid, hoofdpijn, duizeligheid, ongeïnteresseerdheid, onrust, hyperventilatie en een algemeen gevoel van malaise optreden [4,5]. Koud zweet kan uitbreken boven de bovenlip en op het voorhoofd [4]. Ook kan een ongemakkelijk gevoel in de bovenbuik ontstaan [1]. In de laatste stadia treden misselijkheid, overmatige speekselafscheiding en braken op [4]. Hoewel men zich hierna vaak iets beter voelt, kan de ziekte zich blijven manifesteren en kunnen ernstige hoofdpijn, grote zwakte en een verstoorde mineraalbalans ontstaan [4]. De symptomen nemen af zodra de (schijnbare) beweging stopt, maar de slaperigheid, vermoeidheid en sufheid kunnen nog uren blijven bestaan [1].
Het sopite syndroom is een manifestatie van reisziekte die wordt gekenmerkt door de volgende symptomen: geeuwen, slaperigheid, hekel aan activiteit (fysiek of mentaal), moeite met concentreren, depressie, gedragsveranderingen en gebrek aan deelneming aan groepsactiviteiten [1,6]. Het syndroom kan soms optreden zonder dat andere symptomen van reisziekte aanwezig zijn [1].
Bij iedereen met een normaal functionerend vestibulair systeem kan reisziekte ontstaan, alleen is niet iedereen even gevoelig voor het ontwikkelen ervan [4]. Er zijn tenminste drie processen die een rol spelen bij iemands individuele gevoeligheid voor reisziekte, namelijk de initiële gevoeligheid voor beweging, de mate van natuurlijke adaptatie en de mate waarin die adaptatie op de lange termijn behouden blijft [7]. Van tevoren is iemands gevoeligheid echter moeilijk te voorspellen [2]. Wel vallen een aantal factoren te noemen waarvan bekend is dat zij in relatie staan met de gevoeligheid voor het ontwikkelen van reisziekte, bijvoorbeeld de leeftijd [2]. Bij kinderen jonger dan 2 jaar komt reisziekte vrijwel nooit voor [8]. Als de kinderen ouder worden neemt de gevoeligheid toe en er is een piek bij kinderen van 9-10 jaar [2]. In de jaren die hierop volgen neemt de gevoeligheid vaak weer af, waarschijnlijk door gewenning [8]. Ook het geslacht is van invloed op de gevoeligheid, want vrouwen zijn in het algemeen gevoeliger voor het ontwikkelen van reisziekte dan mannen [2]. De gevoeligheid neemt bovendien toe bij menstruatie en zwangerschap [1]. Verder blijkt het eten vooraf een factor te zijn die de gevoeligheid voor reisziekte beïnvloed [9]. Als voor de blootstelling aan beweging eten met veel vet wordt gegeten treedt eerder en/of ernstiger reisziekte op dan wanneer eten met veel koolhydraten wordt genuttigd [9]. Andere factoren die de gevoeligheid voor reisziekte verhogen zijn bijvoorbeeld neuroticisme en angst, terwijl in een ‘fight-flight’ situatie reisziekte juist onderdrukt lijkt te worden [9]. Ziektes die geassocieerd zijn met een verhoogde gevoeligheid voor reisziekte zijn onder andere migraine, de ziekte van Ménière, vertigo en vestibulaire aandoeningen [2]. Ongetwijfeld is er ook een genetische component die verklaard dat de ene persoon gevoeliger is voor het ontwikkelen van reisziekte dan de andere, maar hierover is nog weinig bekend [2]. Behalve iemands individuele gevoeligheid beïnvloeden ook factoren als de sterkte en de duur van de prikkel en het type prikkel (amplitude, frequentie, richting) de mate van reisziekte [7].
Men zou zich kunnen afvragen waarom reisziekte eigenlijk ontstaat, of hier misschien een evolutionaire reden voor is. Volgens de belangrijkste twee hypothesen is dit inderdaad het geval, maar de hypothesen hebben elk hun eigen uitgangspunt. De “toxine detector” hypothese gaat er vanuit dat wanneer vestibulaire, visuele en kinesthetische informatie niet voldoet aan het verwachtingspatroon, dit door het brein herkend wordt als het niet goed functioneren van het centrale zenuwstelsel [2,10]. Als verdediging tegen mogelijk ingenomen neurotoxines wordt dan het braakproces gestart [2]. De “vestibulaire-cardiovasculaire reflex” hypothese stelt echter dat reisziekte ontstaat bij een afwijkende activatie van neuronen in de hersenstam die normaal gesproken voor homeostase zorgen en die mogelijk het braken activeren [11]. Het optreden van reisziekte wordt hierbij gezien als een beschermend mechanisme bij ziektes van het vestibulaire systeem, want misselijkheid en braken zorgen ervoor dat de persoon gaat zitten en rust neemt waardoor sneller genezing kan optreden [11].
Geschreven door: Mw. B.A.A. Hueskes BSc. (Universiteit Utrecht, Farmaceutische Wetenschappen)
Referentielijst:
1. Shupak A, Gordon CR. Motion Sickness: Advances in Pathogenesis, Prediction, Prevention, and Treatment. Aviat Space Environ Med 2006; 77:1213-1223.
2. Golding JF. Motion sickness susceptibility. Autonomic Neuroscience: Basic and Clinical 2006; 129:67–76.
3. Dellorto D. Scary movie making viewers sick. CNN, weblocatie: http://www.cnn.com/2008/HEALTH/01/24/movie.sickness/index.html, geraadpleegd op 03-03-2008.
4. Wood CD. Antimotion Sickness and Antiemetic Drugs. Drugs 1979; 17:471-479.
5. Verheij AAA, Bewegingsziekte, NHG artsennet, weblocatie: http://nhg.artsennet.nl/upload/104/standaarden/FTR/Bewegingsziekte_text.html, geraadpleegd op 03-03-2008.
6. Graybiel A, Knepton J. Sopite syndrome: a sometimes sole manifestation of motion sickness. Aviat Space Environ Med 1976; 47:873– 82.
7. Reason JT, Brand JJ. Motion sickness. 1975; London: Academic Press.
8. Brandt T. Vertigo, Its Multisensory Syndromes. Springer, 2nd Edition, 2003.
9. Newman DG. Motion Sickness II: Susceptibility and Treatment. Aviation Medical Society of Australia and New Zealand 1998; 22. Weblocatie: http://amsanz.org.nz/avmedia/22/am22ms.htm, geraadpleegd op 31-03-2008.
10. Treisman M. Motion sickness: An Evolutionary Hypothesis. Science 1977; 197:493–495.
11. Yates BJ, Miller AD, Lucot JB. Physiological basis and pharmacology of motion sickness, an update. Brain Res. Bull. 1998; 47:395–406.