Reisziekte (niet-medicamenteuze therapie)
Reisziekte kan naast farmacotherapeutisch en door middel van adaptatie(schema’s) ook op andere manieren behandeld worden. In dit hoofdstuk zullen een aantal andere mogelijkheden om reisziekte te voorkomen en/of te behandelen aan bod komen.
5.1 Voorzorgsmaatregelen
Er zijn vele maatregelen die vooraf genomen kunnen worden om de prikkel die reisziekte opwekt te verkleinen. Een van de belangrijkste zaken waar op gelet moet worden, is waar in het voertuig men plaatsneemt. Op een schip kan men bijvoorbeeld het beste in het midden gaan zitten waar de minste beweging van het schip plaatsvindt [50]. Vergelijkbaar hiermee geldt voor een vliegtuig dat een plaats bij de vleugels het minst provocatief is [50].
Ook het zicht is erg belangrijk [51]. Het best kan men zich oriënteren op een voorwaarts gelegen ver verwijderd object zoals de horizon [50]. Hierdoor vermindert namelijk het sensorisch conflict, doordat ook de ogen de beweging dan waarnemen [1]. Ook kunnen hierdoor de hoofdbewegingen verminderd worden [50]. Hiermee rekening houdend kan men in een auto bijvoorbeeld het best voorin zitten [51]. Het dragen van een zonnebril kan de visuele stimulatie tevens verminderen [1]. Lezen moet vermeden worden, omdat dit juist het sensorisch conflict vergroot [50].
Bij het ontwerpen van een voertuig kan men ook al rekening houden met bepaalde zaken om de kans op reisziekte te verkleinen. In een vliegtuig kan men bijvoorbeeld letten op of er voldoende ramen zijn, of iedereen (ook het personeel) voorwaarts kan zitten en of in de cockpit apparatuur en displays op een zodanige manier geplaatst zijn dat het aantal hoofdbewegingen beperkt kan blijven [9].
Tenslotte wordt ook gezegd dat omgevingsfactoren als een prettige temperatuur en de afwezigheid van onaangename geuren een positief effect kunnen hebben op reisziekte [50]. Over de rol van zulke factoren bij reisziekte is echter nog veel onbekend [9].
5.2 Voedsel
Talrijke onderzoeken zijn verricht naar de rol van voedsel bij reisziekte, echter bestaat hier nog steeds veel onduidelijkheid over [2]. Het wordt vaak afgeraden voor en tijdens een reis moeilijk verteerbare, vette maaltijden te nuttigen [1,9]. Een maaltijd met veel koolhydraten zou beter zijn [9]. Over de invloed van eiwitrijke maaltijden bestaan tegenstrijdige resultaten, waarvan de uitkomsten variëren tussen dat eiwitrijke maaltijden reisziekte zouden remmen en dat ze reisziekte juist nadelig beïnvloeden [52,53].
5.3 Gember
Fytotherapeutica, ook wel kruidengeneesmiddelen genoemd, zijn gemaakt van (delen van) planten [47]. Ze zijn meestal verkrijgbaar als tinctuur of gedroogd extract waarvan thee gemaakt kan worden [47]. Om reisziekte te behandelen zou vooral gember (Zingiber officinale) geschikt zijn, welke erom bekend staat tegen misselijkheid en braken te werken [54]. Dit effect wordt waarschijnlijk bewerkstelligd door remming van serotoninereceptors en de beïnvloeding van het spijsverteringsstelsel [55].
Studies naar de effectiviteit van gember laten wisselende resultaten zien [54]. Uit een dubbelblind, gerandomiseerd, placebo-gecontroleerd onderzoek van Grontved et al. kwam naar voren dat 1 gram gember de zeeziektesymptomen braken en koud zweet significant verminderde ten opzichte van placebo [56]. In een andere dubbelblinde, gerandomiseerde studie van Schmid et al. werd gember vergeleken met enkele medicijnen tegen reisziekte [57]. Er bleken weinig verschillen te zitten tussen de diverse middelen en gember bleek dus niet minder effectief dan de andere middelen. Het voorkwam zeeziekte in 80% van de personen [57]. Uit een dubbelblinde studie van Wood et al. bleek echter dat gember niet effectiever was dan placebo [58]. Ook Stewart et al. moesten uit hun studie concluderen dat gember geen significant effect heeft op reisziekte [59]. Concluderend zou gember een positief effect kunnen hebben op reisziekte, maar er is nog niet voldoende bewijs om dit met zekerheid te kunnen zeggen.
5.4 Acupunctuur, elektrostimulatie en acupressuur
Acupunctuur is een alternatieve geneeswijze waarbij op bepaalde acupunctuurpunten naalden in een persoon worden gestoken om energieën van het lichaam te beïnvloeden [47]. Acupressuur gaat uit van hetzelfde principe, echter worden hierbij geen naalden gebruikt, maar wordt alleen druk uitgeoefend op de plekken met de vingers of met apparatuur [47]. Bij elektrostimulatie worden zwakke elektrische impulsen afgegeven [47]. Acupunctuur, elektrostimulatie en acupressuur op het punt P6 (Pericardium 6; zie figuur 6) hebben bewezen braken en misselijkheid door chemotherapie, zwangerschap en chirurgische ingrepen te kunnen verminderen [11]. Ook bij reisziekte zou stimulatie van het P6 punt kunnen helpen, echter tonen studies tegenstrijdige resultaten aan, zoals in tabel 3 te zien is [39,60]. Diverse bandjes voor P6-stimulatie zijn verkrijgbaar, zoals de SeaBand, AcuBand (beide acupressuur) en de ReliefBand (elektrostimulatie) [60,62]. Een aandachtspunt bij het gebruik van dergelijke bandjes kan zijn dat deze op de juiste manier aangebracht dienen te worden [62]. Ook de prijs van de meer geavanceerde ReliefBand kan iets zijn om bij stil te staan [39].
Figuur 6. Positie van het P6 acupunctuurpunt [61].
Tabel 3. Studies naar het effect van acupressuur en elektrostimulatie op reisziekte [60].
5.5 Gedragstherapie
Ook gedragstherapieën kunnen een optie voor de behandeling van reisziekte zijn. Gedacht kan worden aan biofeedback, autogene training, cognitieve gedragstherapie en gecontroleerd ademhalen [20,39]. Een nadeel van de zulke therapieën is vaak dat ze erg tijdrovend zijn [39].
Biofeedback is een methode waarbij de persoon informatie over bepaalde autonome activiteiten (zoals de hartslag) te zien krijgt en bij de gewenste respons (bijvoorbeeld een afgenomen hartslag) tevens een positief teken krijgt [20]. Op deze manier leert men reacties beter te sturen. Onder laboratoriumcondities kan deze methode succesvol zijn, maar in het ‘echt’ bij afwezigheid van de trainer lijkt dit zelden het geval [35]. Bij studies naar de effectiviteit van deze methode ontbreken dikwijls controles voor de placebo-effecten [35].
Ook bij autogene training probeert men het autonome zenuwstelsel te beïnvloeden, in dit geval door middel van gedachte- en ontspanningsoefeningen [20]. Weinig onderzoek is verricht naar de effectiviteit van deze methode bij reisziekte [20].
Cognitieve gedragstherapie wordt bij reisziekte bijvoorbeeld gebruikt om mensen te leren het aantal hoofdbewegingen te beperken of zich te kunnen concentreren op een bepaalde opdracht [9]. Dit laatste schijnt redelijk effectief te zijn, want het is bijvoorbeeld ook gebleken dat de bestuurders van een voertuig minder gevoelig zijn voor het optreden van reisziekte dan de passagiers [9].
Tenslotte kan ook gecontroleerd ademhalen reisziektesymptomen verminderen [1]. Deze methode is ongeveer half zo effectief als een gemiddeld medicijn tegen reisziekte, maar vertoont geen bijwerkingen [63].
Geschreven door: Mw. B.A.A. Hueskes BSc. (Universiteit Utrecht, Farmaceutische Wetenschappen)
Referentielijst:
1. Shupak A, Gordon CR. Motion Sickness: Advances in Pathogenesis, Prediction, Prevention, and Treatment. Aviat Space Environ Med 2006; 77:1213-1223.
2. Golding JF. Motion sickness susceptibility. Autonomic Neuroscience: Basic and Clinical 2006; 129:67–76.
9. Newman DG. Motion Sickness II: Susceptibility and Treatment. Aviation Medical Society of Australia and New Zealand 1998; 22. Weblocatie: http://amsanz.org.nz/avmedia/22/am22ms.htm, geraadpleegd op 31-03-2008.
11. Yates BJ, Miller AD, Lucot JB. Physiological basis and pharmacology of motion sickness, an update. Brain Res. Bull. 1998; 47:395–406.
20. Harm DL. Motion Sickness Neurophysiology, Physiological Correlates, and Treatment. In Stanney KM. Handbook of Virtual Environments: Design, Implementation, and Applications. Lawrence Erlbaum Associates, 2002.
35. Lackner JR. Motion sickness. In: Encyclopedia of Neuroscience, 3rd edition. Weblocatie: http://www.graybiel.brandeis.edu/publications/PDF/190_ms_encns.pdf, geraadpleegd op 18-07-2008.
39. Sherman CR. Motion Sickness: Review of Causes and Preventive Strategies. J Travel Med 2002; 9:251–256.
47. Hawkins EB, Ehrlich SD. Motion sickness. University of Maryland Medical Center 2006; weblocatie: http://www.umm.edu/altmed/articles/motion-sickness-000110.htm, geraadpleegd op 03-08-2008.
50. Mclntosh IB. Motion Sickness-Questions and Answers. J Travel Med 1998; 5:89-91.
51. Turner M, Griffin MJ. Motion sickness in public road transport: The relative importance of motion, vision and indivual differences. British Journal of Psychology 1999; 90:519-530.
52. Levine ME, Muth ER, Williamson MJ, Stern RM. Proteinpredominant meals inhibit the development of gastric tachyarrhythmia, nausea and the symptoms of motion sickness. Aliment. Pharmacol. Ther. 2004; 19:583–590.
53. Lindseth G, Lindseth PD. The relationship of diet to airsickness. Aviat. Space Environ. Med. 1995; 66:537–541.
54. Cohen M. Traveller’s ‘funny tummy’. Reviewing the evidence for complementary medicine. Australian Family Physician 2007; 36(5):335-336.
55. White B. Ginger: An Overview. Am Fam Physician 2007; 75:1689-1691.
56. Grontved A, Brask T, Kambskard J, Hentzer E. Ginger root against seasickness. A controlled trial on the open sea. Acta Otolaryngol 1988; 105:45–9.
57. Schmid R, Schick T, Steffen R, Tschopp A, Wilk T. Comparison of seven commonly used agents for prophylaxis of seasickness. J Travel Med 1994; 1:203–6.
58. Wood CD, Manno JE, Wood MJ, Manno BR, Mims ME. Comparison of efficacy of ginger with various antimotion sickness drugs. Clin Res Pr Drug Regul Aff 1988; 6:129-36.
59. Stewart JJ, Wood MJ, Wood CD, Mims ME. Effects of ginger on motion sickness susceptibility and gastric function. Pharmacology 1991; 42:111–20.
60. Streitberger K, Ezzo J, Schneider A. Acupuncture for nausea and vomiting: An update of clinical and experimental studies. Autonomic Neuroscience: Basic and Clinical 2006; 129:107–117.
61. Onbekend. Neiguan P-6. Weblocatie: http://acupuncture.rhizome.net.nz/acupressure/Nausea.aspx, geraadpleegd op 10-08-2008.
62. Miller KE, Muth ER. Efficacy of Acupressure and Acustimulation Bands for the Prevention of Motion Sickness. Aviation, Space, and Environmental Medicine 2004; 75(3):227-234.
63. Golding JF, Gresty MA. Motion sickness. Curr Opin Neurol 2005; 18:29-34.