Stress

Het begrip stress wordt zeer veelvuldig gebruikt, maar er is geen universele definitie van het woord stress. (63) In een definitie zouden in ieder geval twee punten aan de orde moeten komen. Ten eerste dat het optreden van stress niet wordt bepaald door fysieke parameters van de stimulus vanuit de omgeving, maar door de manier een organisme ermee omgaat en erop reageert. Een bepaalde stimulus kan dus stress voor een persoon opleveren, terwijl iemand anders daar helemaal geen last van heeft. Ten tweede is er geen unieke fysiologische staat van het lichaam voor stress. De stijgingen die te zien zijn in concentraties van bepaalde hormonen en neurotransmitters kunnen ook een andere oorzaak hebben. Er is verder altijd een bepaalde mate van oplettendheid in een stresssituatie. Daarnaast moet de stressor als aversief worden ervaren. Hoeveel stress een bepaalde situatie oplevert is verder afhankelijk van de mate van controle die de persoon er zelf over heeft. Meer controle over de situatie leidt uiteraard tot minder stress. (63)

Stress verstoort de homeostase. (63) Je hebt goede en slechte stress. (figuur 28) (64) Goede stress is van tijdelijke duur, kan overwonnen worden en het laat het gevoel van verfrissing achter. Slechte stress is meestal chronisch, er is geen controle over, je raakt er geïrriteerd van en fysiek uitgeput. Stress heeft zowel een beschermend als beschadigend effect. Stress is een mechanisme van allostase. Dit betekent dat homeostase bereikt wordt onder invloed van het afgeven van stresshormonen en mediatoren. Maar er is ook ‘allostatic load’ of ‘overload’; schade aan het lichaam en de hersenen door allostase, als de mediatoren ontregeld zijn. Dus dit kan zijn dat de mediatoren nog steeds worden afgegeven als de stress al voorbij is of dat ze niet worden afgegeven als ze nodig zijn. Zie ook figuur 29. De reactie op stress kan bestaan uit ‘fight-or-flight’ reacties. (65)

 Stress

Figuur 28: Chronische stress is niet goed (66)

 Stress

Figuur 29: De hersenen spelen een centrale rol bij allostase en de fysiologische en gedragsrespons op stressoren (64)

Er zijn verschillende manieren waarop ‘allostatic load’ of ‘overload’ kan ontstaan. (64) In figuur 30 is bovenaan de normale stressreactie te zien. Daaronder staan vier mechanismen die ten grondslag kunnen liggen aan ‘allostatic load’. De eerste (midden links) is steeds een nieuwe stressreactie door verschillende stressoren. De tweede (midden rechts) is een slechte aanpassing aan de stressor. Als je vaker in aanraking komt met dezelfde stressor hoort de stressreactie steeds minder te worden. De derde (onder links) is een verlengde stressreactie. Er vindt geen herstel plaats. De vierde (onder rechts) is een inadequate stressreactie. Hierdoor ontstaat er hyperactiviteit van andere mediatoren, bijvoorbeeld verhoogde concentraties van cytokines, die normaal gereguleerd worden door onder andere cortisol. ‘Allostatic load’ verslechtert de mogelijkheid tot leren en herinneren en zorgt voor meer angst en agressie in personen. Dit komt respectievelijk door atrofie van neuronen in de hippocampus en prefrontale cortex en hypertrofie van neuronen in de amygdala. (64)

 Stress

Figuur 30: De verschillende manieren waardoor ‘allostatic load’ kan ontstaan (64)

Goede stress is benodigd bij het leren (bijvoorbeeld voor een tentamen). (64) Dit is te zien in figuur 31. De afgifte van noradrenaline (NA), CRH en cortisol (CORT) vergemakkelijken de processen betrokken bij het leren. Na meer dan een uur herstelt corticosteron de neuronale activiteit via een gengemedieerde pathway. Dit gaat door middel van een verhoging van de drempelwaarde voor het opnemen van nieuwe informatie. Gedeelte B van de figuur laat zien wat er gebeurt als je al te maken hebt gehad met een stressor voordat de ‘leerstress’ optreedt. Doordat het herstelmechanisme al in werking is bij de start van het leren, zal het leerproces bemoeilijkt zijn. (64)

 Stress

Figuur 31: Stress kan het leren vergemakkelijken (A), maar dan moet niet daarvoor al een stressvolle gebeurtenis hebben plaatsgevonden (B) (64)

Twee belangrijke typen van neuroplasticiteit die bij stress voorkomen zijn: het nieuwe verbindingen vormen van dendrieten van pyramidale neuronen in de hippocampus als respons op chronische stress en een chronische verhoging van glucocorticoïden en de remming van de neurogenese van granulecellen in de dentate gyrus. (65) De veranderingen die optreden in geheugen en synaptische plasticiteit zijn onder te verdelen in vijf factoren. (63) Zo is daar ten eerste de directe invloed van stresshormonen op de hippocamus. Ten tweede kunnen de stresshormonen de amygdala direct of indirect (via de nervus vagus met behulp van noradrenaline) beïnvloeden, deze bevat namelijk ook corticosteroïde receptoren. Daarnaast kunnen projecties van de amygdala naar de hippocampus het functioneren van laatstgenoemde beïnvloeden. Verder kan in non-stress situaties de CA1 regio van de hippocampus normaal functioneren zonder de amygdala. Ten slotte heeft de hippocampus zowel inputs van stresshormonen en de amygdala nodig om veranderingen in synaptische plasticiteit te ondergaan. (63)

De omgeving en de gebeurtenissen die iemand meemaakt in zijn leven zijn natuurlijk zeer belangrijk voor de mate van stress, maar ook genetische factoren spelen een rol bij de reactie die er plaatsvindt in het lichaam en de hersenen na een stressvolle stimulus. (64) Wijzigingen in genen voor BDNF (brain derived neurotrophic factor), MAO A (monoamine oxidase A), de serotoninetransporter en de glucocorticoïdereceptor blijken de respons op een stressor te beïnvloeden. Er zijn ook geslachtsbepaalde verschillen te zien in de stressreactie. (66)

De HPA-as (figuur 32), die bestaat uit de hypothalamus, hypofyse en bijnieren, bevat een cascade die betrokken is bij de stressrespons. (9) De hormonen die een rol spelen in de HPA-as zijn corticotropine releasing factor (CRF), een afgiftehormoon geproduceerd door de hypothalamus, adrenocorticotropic hormoon (ACTH), een hormoon dat geproduceerd wordt door de anterior kwab van de hypofyse, en cortisol, een perifeer hormoon afgegeven door de bijnieren. Basale afgifte van CRF wordt gereguleerd door de circadian pacemaker, gelegen in de suprachiasmatische kernen  in de hypothalamus. De circadian pacemaker stelt organismen in staat op te anticiperen op de dagelijkse terugkerende veranderingen in de omgeving. Ook volgt de pacemaker de daglengteveranderingen die optreden gedurende het jaar. De vrijgifte van CRF is bij mensen maximaal in de ochtend, rond de tijd van ontwaken. Een verhoogde secretie van CRF kan uitgelokt worden door een variëteit aan stressoren. Deze kunnen psychologisch en fysiologisch zijn. Een voorbeeld van een psychologische stressor is een tentamen. Voorbeelden van fysiologische stressoren zijn uithongering, een ontsteking of hypothermie. De stressoren stimuleren ook de afgifte van arginine vasopressine (AVP) door de paraventriculaire nucleus (PVN). Zowel CRF als AVP kunnen de secretie van ACTH stimuleren. ACTH zorgt vervolgens voor de afgifte van cortisol door de bijnieren. Hierdoor veranderen het energiemetabolisme en andere functies van het organisme om zich voor te bereiden op een crisissituatie. Een groot aantal stressgerelateerde afferente signalen bereiken de parvocellulaire neuronen van de PVN. Dit heeft invloed (zowel remmend als stimulerend) op de afgifte van CRH en AVP. Remmende signalen kunnen komen van de hippocampus en exciterende inputs kunnen uitgezonden worden door de amygdala. Noradrenerge afferente signalen vanuit de hersenstam, bijvoorbeeld vanuit de locus coeruleus, spelen een belangrijke rol bij het transporteren van de stressgerelateerde informatie naar de PVN. Maar ook serotonerge, cholinerge en andere typen inputs beïnvloeden dit proces. (9)

 Stress

Figuur 32: De HPA-as (67)

De biologische effecten van CRF worden gereguleerd door twee verschillende GPCR’s, CRF1R en CRF2R. (9) CRF1R is te vinden in de hypofyse, cerebrale cortex, het mediale septum, het cerebellum en de hersenstam. De CRF2R komt voor in de hypothalamus en het mediale septum, maar expressie van deze receptor is ook in andere delen van de hersenen te zien. De CRF2R bindt niet alleen CRF, maar ook het aanverwante eiwit urocortine. Urocortine is waarschijnlijk de endogene ligand van deze receptor, want het heeft een veertig keer grotere affiniteit voor de receptor dan CRF. Muizen die de CRF1R missen, bezitten normale concentraties ACTH, maar kunnen geen stressrespons opwekken in de vorm van hogere concentraties ACTH. Knock-out muizen waarbij de CRF2R ontbreekt zijn juist hyperresponsief bij stress. Er worden veel sneller stijgingen in de concentraties cortisol en ACTH waargenomen. CRF speelt niet alleen een hoofdrol in de neuroendocrine reactie op stress, maar ook in de gedragsrespons. Dit is bijvoorbeeld angst gerelateerd aan stress. CRF1R knock-out muizen vertonen significant minder angstige gevoelens vergeleken met een controlegroep. Deze muizen bezitten ook weinig corticosteron (de variant van cortisol in muizen), maar ook als er externe corticosteronsupplementen worden gegeven aan deze muizen herstelt de normale angstrespons niet. Dit betekent dat de reductie in angst niet ontstaat door verlaagde niveaus van glucocorticoïden in de circulatie, maar door de verminderde functie van CRF. Deze bevinding wordt bevestigd door andere testjes. Het toedienen van CRF in bijvoorbeeld de amygdala stimuleert de angstrespons. Het toedienen van een CRF1R antagonist heeft het tegengestelde effect. (9)

ACTH die door de hypofyse aan het bloed wordt afgegeven stimuleert de bijnieren via Gs gekoppelde ACTH receptoren. (9) cAMP zorgt voor een intracellulair signaal dat zorgt voor de continue aanmaak van steroïden. Dit gaat door middel van regulatie van de transcriptie van de belangrijkste enzymen betrokken bij de synthese van steroïden. Het grootste gedeelte van het cortisol dat afgegeven wordt, koppelt aan transporteiwtten. Dit zijn in dit geval albumine, transcortine en corticosteroïdebindingsproteïne. Minder dan vijf procent komt voor in de vrije vorm in de circulatie, maar dit is wel de biologisch actieve vorm. Verder zorgt ACTH nog voor secretie van andere hormonen door de bijnieren. Dit zijn aldosteron, 17α-hydroxyprogesteron en androgenen. Glucocorticoïden hebben een negatieve terugkoppeling op de afgifte van CRF. Dit komt door verhoging van de activiteit van de hippocampus. Schade aan of atrofie van de hippocampus zorgt ervoor dat de HPA-as later wordt uitgeschakeld. (64)

In de hippocampus bevinden zich twee soorten receptoren voor cortisol. (63) Dit zijn de mineralocorticoïdereceptoren (MR’s, type I) en de glucocorticoïdereceptoren (GR’s, type II). (63, 68) De negatieve effecten worden vooral bewerkstelligd via de GR’s die een lagere afiniteit hebben voor cortisol. (63) Binding aan deze receptor beïnvloedt het neuronale metabolisme, de overleving van cellen, psychologische functies en neuronale morfologie op een negatieve manier. De hippocampus is betrokken bij het declaratieve geheugen. Leren en geheugen kunnen dan ook verstoord worden door stress. Stress heeft invloed op LTP en LTD (long term depression oftewel lange termijn onderdrukking) in de hippocampus. Het hindert LTP en verbetert LTD. Dit induceert synaptische plasticiteit die nadelig voor leren en geheugen kan zijn. Verder kan hieraan bijdragen dat stress ook de neurogenese remt. MR’s hebben een hoge affiniteit voor cortisol en worden dus al bij lagere concentraties geactiveerd. Zij blijken LTP te bevorderen en hebben dus een positief effect op het geheugen. De invloed op LTP en LTD komt niet alleen tot stand via koppeling van corticosteroïden aan hun receptoren, want ook ratten zonder cortisol vertonen veranderingen in LTP onder invloed van stress. Ook opioïden, serotonine en agonisten voor de NMDA receptor zijn in dit proces van belang. Ook veranderingen in de amygdala hebben effect op de werking van de hippocampus. Tussen deze twee hersengebieden liggen namelijk directe en indirecte verbindingen. Cortisol heeft ook effect op bepaalde genen en kan in die gevallen als transcriptiefactor worden beschouwd. (68) Dus invloeden vanuit de omgeving hebben via het stresshormoon effect op de genen. (68)

Het immuunsysteem wordt gereguleerd door neurale input van sensorische, sympatische en parasympatische zenuwen, maar ook door hormonen, waarvan glucocorticoïden een van de prominentere zijn. (65) Cortisol heeft een bifasisch effect op het immuunsysteem. Bij acute stress worden energievoorraden aangesproken, vegetatieve processen en reproductie worden onderdrukt. Het lichaam wordt dus voorbereid op vechten of vluchten, hierbij kunnen verwondingen ontstaan. Dus het immuunsysteem is klaar om het lichaam te beschermen tegen infecties. Lymfocyten, monocyten en NK cellen worden getransporteerd van het bloed naar de weefsels, bijvoorbeeld naar de huid. Bij chronische stress wordt het immuunsysteem juist onderdrukt, dit komt waarschijnlijk door gewenning aan het effect van glucocorticoïden en hierdoor vindt er minder transport plaats van immuuncellen. (65)

Tijdens een stressreactie wordt ook het sympatisch zenuwstelsel geactiveerd. (64) Er worden meer catecholamines afgegeven. Deze verhogen de hartslag en de bloeddruk. (64)

De adaptieve reactie op stress staat ook in relatie met de HPT-as. (9) Deze loopt van de hypothalamus, via de hypofyse naar de schildklier. Tijdens stress wordt de werking van de HPT-as onderdrukt. Hierdoor wordt er minder TSH (thyroid stimulating hormone oftewel schildklier stimulerend hormoon) afgegeven door de hypofyse en zal er ook minder T3 en T4 gesynthetiseerd worden in de schildklier. Deze lichamelijke aanpassing zou erop gericht zijn zoveel mogelijk energie te besparen. Hierdoor kan hyperthyreoïdie of hypothyreoïdie ontstaan. (9)

Chronische stress zou de mRNA niveaus van BDNF verlagen in de hippocampus. (69) Dit is onderzocht in diverse studies. Ook werd hierbij gekeken naar concentraties van synaptofysine en GAP-43. Dit zijn markers voor synaptische plasticiteit. Deze bleken verlaagd te zijn in specifieke delen van de hippocampus na chronische stress. Zie ook figuur 33. In de mRNA niveaus werd geen verschil gevonden. Een mogelijke oorzaak hiervan is dat de veranderingen alleen zichtbaar zijn in de specifieke delen, maar in dit onderzoek werd de hele hippocampus geanalyseerd. Ook BDNF bleek in dit experiment verlaagd te zijn, overeenkomstig met de hypothese. Ki-67 tenslotte is een marker voor neurogenese in volwassen hersenen. Ook deze is verlaagd, zowel bij chronische (significant) als bij acute stress. (69)

 Stress

Figuur 33: De concentratieveranderingen van diverse eiwitten ten gevolge van chronische (A) en acute (B) stress (69)

Te veel stress leidt ook tot een tekort aan slaap en depressie. (64,66)

Geschreven door: Dhr. S. Ketzer BSc. (Universiteit Utrecht, Farmaceutische Wetenschappen)

Referentie lijst:

9.         Nestler EJ, Hyman SE, Malenka RC. Molecular Neuropharmacology, A Foundation for Clinical Neuroscience. 1st ed: McGraw-Hill Companies; 2001. p. 364-5.

63.       Kim JJ, Diamond DM. The stressed hippocampus, synaptic plasticity and lost memories. Nat Rev Neurosci. 2002 Jun;3(6):453-62.

64.       McEwen BS. Physiology and neurobiology of stress and adaptation: central role of the brain. Physiol Rev. 2007 Jul;87(3):873-904.

65.       McEwen BS. The neurobiology of stress: from serendipity to clinical relevance. Brain Res. 2000 Dec 15;886(1-2):172-89.

66.       Bale TL. Stress sensitivity and the development of affective disorders. Horm Behav. 2006 Nov;50(4):529-33.

67.       HPA axis. http://cba.uwv.nl/cba/opencms/system/galleries/pics/cba/Doff_Doff_bestanden_image058.jpg. Geraadpleegd op 26-11-2007.

68.       Hellema H. Stress laat blijvende sporen achter. Pharmaceutisch weekblad. 2005;140(45):1424-6.

69.       Rosenbrock H, Koros E, Bloching A, Podhorna J, Borsini F. Effect of chronic intermittent restraint stress on hippocampal expression of marker proteins for synaptic plasticity and progenitor

cell proliferation in rats. Brain Res. 2005 Apr 8;1040(1-2):55-63.

<p style=”text-align: center;” align=”center”></p>
<p style=”text-align: center;” align=”center”></p>

<strong> <span style=”font-family: Arial; color: #0000ff;”><span style=”font-size: 7pt;”> </span></span></strong>

<span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;; color: black;”>Het lichaam kent verschillende mechanismen om beweging waar te nemen, te weten visueel (via de ogen), proprioceptief (via propriosensoren </span><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;;”>in spieren, gewrichten en pezen) en vestibulair (via het vestibulair systeem) [17]. </span><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;; color: black;”>Al lange tijd is bekend dat reisziekte niet kan ontstaan bij mensen bij wie het vestibulair systeem, oftewel het evenwichtsorgaan, niet goed functioneert [8]. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij dove mensen [8]. Door dit verband tussen het niet goed functioneren van het vestibulair systeem en het ongevoelig zijn voor reisziekte, is men tot de conclusie gekomen dat het vestibulair systeem betrokken is bij reisziekte [8]. </span>
<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;; color: black;”> </span></p>

<h2><a name=”_Toc207594242″><strong><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;;”>2.1 Vestibulair systeem</span></strong></a></h2>
<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;; color: black;”>Het vestibulair systeem is belangrijk voor de regulatie van houding en beweging [12]. Het registreert en reguleert de stand en beweging van het hoofd in de ruimte en heeft als functies daarnaast het bewaren van het evenwicht en de stabilisatie van de ogen bij beweging [2]. Zoals te zien is in figuur 1, bevindt het zich in het binnenoor [2]. </span></p>
<p class=”MsoNormal”><img class=”alignnone” title=”Fig. 1″ src=”../images/056.JPG” alt=”" width=”484″ height=”334″ /></p>
<p class=”MsoNormal”></p>
<p class=”MsoNormal”><strong><em><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;; color: #3366ff;”>Figuur 1.</span></em></strong><em><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;;”> Ligging van het evenwichtsorgaan (vestibulair systeem) in het binnenoor [13].</span></em></p>
<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;;”> </span></p>
<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;;”> </span></p>
<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;;”>Een schematische weergave van het vestibulair systeem is te zien in figuur 2. Het vestibulair systeem bestaat uit drie halfcirkelvormige kanalen, een utriculus en een sacculus [7]. De halfcirkelvormige kanalen kunnen draaiversnellingen in elke richting meten, terwijl de utriculus en sacculus lineaire versnellingen meten en betrokken zijn bij de lichaamsoriëntatie ten opzichte van de zwaartekracht [7].</span></p>
<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;;”> </span></p>
<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;;”>De drie halfcirkelvormige kanalen liggen in loodrecht op elkaar staande vlakken en zijn gevuld met een vloeistof, endolymfe [7]. Aan het uiteinde van elk kanaal bevindt zich een verwijding die ampulla wordt genoemd [14]. De ampulla (zie figuur 2 linksonder) bestaat uit de crista, een verdikking met steuncellen en haarcellen, en de cupula, een buigzame structuur met daarin de haartjes [15]. Bij draaiing van het hoofd bewegen de kanalen mee en met enige vertraging ook de endolymfe, waardoor de cupula buigt [14]. De haarcellen nemen de beweging van de cupula waar en zetten het om in een elektrische impuls [17]. Via afferente zenuwen wordt de informatie vervolgens doorgegeven aan de hersenen [15]. </span></p>
<p class=”MsoNormal”><span style=”font-size: 10.5pt;” lang=”NL”> </span></p>
<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;;”>De utriculus en sacculus worden ook wel otolietorganen genoemd [14]. Het zijn een soort blaasjes die gevuld zijn met endolymfe [15]. De zintuiglijke cellen worden maculae genoemd en bevatten haarcellen en steuncellen (zie figuur 2 rechtsonder) [15]. Bovenop de haartjes, de stereocilia en de extra lange kinocilia, bevinden zich calciumcarbonaatkristallen, die otolieten of otoconia genoemd worden [15]. Bij lineaire versnellingen of veranderingen van het hoofd ten opzichte van de zwaartekracht, bewegen de otolieten [7]. Hierdoor buigen de haartjes waardoor de beweging kan worden waargenomen en wederom kan worden doorgegeven aan de hersenen [15].</span></p>

<img style=”margin-left: 12px; margin-right: 12px;” src=”../images/057.JPG” alt=”Fig. 2″ hspace=”12″ width=”507″ height=”310″ align=”left” />

<strong><em><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;; color: #3366ff;”>Figuur 2.</span></em></strong><em><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;;”> Het vestibulair systeem met linksonder een vergroting van de ampulla en rechtsonder een vergroting van de macula [16].</span></em>
<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;;”> </span></p>
<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;;”> </span></p>
<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;;”>De otolietorganen zijn met name betrokken bij het ontstaan van zeeziekte [14]. Dit kan worden afgeleid uit het feit dat symptomen van zeeziekte veel minder optreden bij mensen die liggen: in liggende positie zijn de otolietorganen het minst gevoelig [7,14].</span></p>
<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;;”> </span></p>

<strong><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;; color: black;”><br style=”page-break-before: always;” /> </span></strong>
<h2><a name=”_Toc207594243″><strong><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;;”>2.2 Centrale zenuwstelsel</span></strong></a></h2>
<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;;”>De informatie uit het vestibulair systeem gaat via de achtste hersenzenuw naar de vestibulaire kernen gelegen in de hersenstam [17]. Vanuit de vestibulaire kernen gaan impulsen naar diverse andere hersenstructuren waaronder de hypothalamus en het cerebellum [18]. Via de hypothalamus treden de hormonale veranderingen op die zich vaak voordoen bij reisziekte, zoals verhoogde concentraties antidiuretisch hormoon (AVP), a</span><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;; color: black;”>deno-corticotroop hormoon (ACTH), cortisol, adrenaline en noradrenaline [19].</span><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;;”> Het cerebellum is een belangrijke regulator van beweging en is verbonden met vele andere hersendelen, waaronder autonome hersencentra in de hersenstam [17,18]. Veel verschijnselen die optreden bij reisziekte worden veroorzaakt door veranderingen in het autonome zenuwstelsel [20]. In paragraaf 2.3 is hierover meer te lezen. Vanuit het cerebellum gaan ook zenuwen naar de chemoreceptor trigger zone (CTZ) gelegen in de area postrema en naar het braakcentrum in de formatio reticularis [20]. De CTZ wordt niet beschermd door de bloed-hersenbarri</span><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;;”>è</span><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;;”>re en is gevoelig voor chemische stoffen in het bloed [14]. Bij een snelle/sterke toename van mogelijk toxische stoffen activeert de CTZ het braakcentrum [14]. Het is nog onduidelijk of de CTZ ook betrokken is bij reisziekte [1]. Het braakcentrum kan eveneens geactiveerd worden via autonome hersencentra zoals de nucleus tractus solitarius en via hogere hersencentra als de cerebrale cortex [17]. In het geval van reisziekte kan het braakcentrum aldus op verscheidene manieren geactiveerd worden, met als gevolg het optreden van misselijkheid en braken [20]. Ook de cerebrale cortex en het limbisch systeem spelen een rol bij reisziekte, aangezien bij deze hersendelen sensorische, niet-vestibulaire informatie binnenkomt [17]. Het optreden van onder andere slaperigheid en depressie bij reisziekte ontstaat via de cerebrale cortex [18]. In figuur 3 zijn de hersenstructuren en –verbindingen die waarschijnlijk betrokken zijn bij reisziekte schematisch weergegeven.</span></p>

<img class=”alignnone” title=”Fig. 3″ src=”../images/058.JPG” alt=”" width=”469″ height=”337″ />
<p class=”MsoNormal”><strong><em><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;; color: #3366ff;”>Figuur 3.</span></em></strong><em><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;;”> Schematische weergave van hersenstructuren en -verbindingen die betrokken zijn bij het ontstaan van reisziekte [11,17,18,20].</span></em></p>

<h2 style=”text-align: justify;”><a name=”_Toc207594244″><strong><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;;”>2.3 Autonome zenuwstelsel</span></strong></a></h2>
<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;;”>Over de rol van het autonome zenuwstelsel bij reisziekte is nog veel onbekend [20].<span> </span>Wel is het duidelijk dat er zich bij reisziekte autonome veranderingen voordoen en dat die zowel tot de maagledigende effecten als de stressrespons effecten die bij reisziekte optreden kunnen leiden [19]. De maagledigende effecten worden vooral in verband gebracht met een toegenomen activiteit van de parasympathicus [19]. De stressrespons effecten zoals bleekheid en koud zweet worden hoofdzakelijk veroorzaakt door toename van de activiteit van de sympathicus en/of afname van de activiteit van de parasympathicus [19]. De autonome responsen naar aanleiding van vestibulaire stimulatie zijn orgaan- en gebiedspecifiek [21]. </span></p>
<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;;”> </span></p>

<h2 style=”text-align: justify;”><a name=”_Toc207594245″><strong><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;;”>2.4 Neurotransmitters</span></strong></a><strong><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;;”> </span></strong></h2>
<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;;”>Vele typen neurotransmitters en neuromodulators zijn betrokken bij het ontstaan van reisziekte. Vestibulaire afferenten geven voornamelijk glutamaat af [11]. De vestibulaire kernen worden naast glutamaat ook beïnvloed door onder andere </span><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;;”>acetylcholine, histamine, </span><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;; color: black;”>gamma</span><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;; color: black;”>-aminoboterzuur (</span><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;;”>GABA), dopamine, serotonine, noradrenaline, substance P, somatostatine en enkefaline [11,22]. In de CTZ bevinden zich hoofdzakelijk dopaminerge D<sub>2</sub>-receptoren en serotonerge 5-HT<sub>3</sub>-receptoren, maar antagonisten van deze receptoren blijken niet werkzaam bij reisziekte in mensen en ratten, wat een bevestiging kan zijn van de stelling dat de CTZ niet betrokken is bij reisziekte [1,23]. De nucleus tractus solitarius bevat met name veel H<sub>1</sub>-histaminerge en muscarinerge receptoren [24]. In tabel 1 is van diverse hersengebieden weergegeven welke receptoren zich hierin onder andere bevinden. </span></p>
<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”><strong><em><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;; color: #3366ff;”> </span></em></strong></p>
<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”><strong><em><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;; color: #3366ff;”>Tabel 1.</span></em></strong><em><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;;”> Receptoren in de verschillende hersengebieden [17,18].</span></em></p>
<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”><img class=”alignnone” title=”Tabel 1″ src=”../images/059.JPG” alt=”" width=”507″ height=”161″ /></p>
<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”></p>

<h2 style=”text-align: justify;”><a name=”_Toc207594246″><strong><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;;”>2.5 Hormonen</span></strong></a></h2>
<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;;”>Bij reisziekte kan de concentratie antidiuretisch hormoon (AVP) soms wel 20-30 keer verhoogd zijn ten opzichte van normaal [19]. De hoge concentraties AVP worden met diverse verschijnselen in verband gebracht. Ten eerste draagt het waarschijnlijk bij aan het ontstaan van misselijkheid en braken, want verschillende onderzoeken hebben aangetoond dat toediening van AVP aan mensen vaak leidt tot misselijkheid en braken [20]. Ook kan de hoge plasmaconcentratie AVP zorgen voor vasoconstrictie van de bloedvaten in de huid, wat de bleekheid die vaak bij reisziekte optreedt tot gevolg heeft [19]. </span></p>
<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;;”>Ook de HPA-as (hypothalamus-hypofyse-bijnier as) blijkt bij reisziekte een rol te spelen [20]. De verhoogde concentraties ACTH en cortisol duiden op een verhoogde activatie van de HPA-as, wat zorgt voor een stressrespons [20]. Opvallend is dat bij reisziekte de bloeddruk niet toeneemt, hoewel dit normaliter wel het geval is bij stressresponsen [19]. Een verklaring hiervoor is echter dat bij reisziekte zoals eerder vermeld ook de concentratie AVP verhoogd is en van AVP is het bekend dat het een bloeddrukverlagend effect heeft [19].</span></p>
<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;;”> </span></p>

<h2><a name=”_Toc207594247″><strong><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;;”>2.5 Zintuig-conflict-theorie</span></strong></a></h2>
<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;; color: black;”>De meest bekende theorie die het ontstaan van reisziekte verklaard is de zintuig-conflict-theorie die in 1975 werd voorgesteld door Reason en Brand [7]. Volgens deze theorie is er bij reisziekte sprake van een sensorisch conflict waarbij de informatie over de beweging die wordt waargenomen door de ogen, de vestibulaire receptoren en de propriosensoren niet overeenkomt met wat verwacht zou worden op basis van eerdere ervaringen [7,10]. Twee soorten sensorische conflicten worden onderscheiden: tussen het signaal van de ogen en dat van de vestibulaire receptors/propriosensoren en tussen het signaal van de </span><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;;”>halfcirkelvormige kanalen en dat van de otolietorganen [7,25]. Beide soorten omvatten bovendien drie verschillende typen, aangezien het zowel mogelijk is dat de inputsignalen onderling tegenstrijdig zijn en/of niet correleren en dat slechts </span><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;;”>één van de signalen wordt waargenomen, terwijl ook het andere signaal verwacht zou worden [7]. In tabel 2 zijn van de zes typen conflicten enkele voorbeelden gegeven die aanzet kunnen geven tot reisziekte. </span></p>
<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;;”> </span></p>
<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”><strong><em><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;; color: #3366ff;”>Tabel 2.</span></em></strong><em><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;;”> Typen sensorische conflicten die aanzet kunnen geven tot reisziekte [7,25]</span></em></p>
<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”><img class=”alignnone” title=”Tabel 2″ src=”../images/060.JPG” alt=”" width=”496″ height=”341″ /></p>

<h1><a name=”_Toc207594248″><span class=”Kop2Char”><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;;”>2.6 Subjectieve verticaal-conflict-theorie</span></span></a></h1>
<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;; color: black;”>In 1998 werd door Bos en Bles de subjectieve verticaal (SV)-conflict-theorie voorgesteld [26]. Deze theorie gaat </span><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;;”>er vanuit dat </span><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;;”>een verschil tussen de verwachte richting van de zwaartekracht en de richting van de zwaartekracht die wordt waargenomen op basis van geïntegreerde informatie van de verschillende zintuigen, aanleiding geeft tot het optreden van reisziekte [27,28].</span><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;; color: black;”> De theorie heeft de naam subjectieve verticaal-conflict-theorie gekregen, omdat bij experimenten vaak aan proefpersonen gevraagd wordt aan te geven wat zij denken dat de verticaal (de </span><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;; color: black;”>richting van de zwaartekracht) is en dit wordt dan aangeduid als de ‘subjectieve verticaal’. </span><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;;”>Alle zintuigen dragen bij aan de bepaling van de richting van de verticaal en ook de grootte kan van invloed zijn, wat het erg complex maakt een mathematisch correct model op te stellen [27].</span></p>
<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;;”> </span></p>

<h1><a name=”_Toc207594249″><span class=”Kop2Char”><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;;”>2.7 Andere theorieën</span></span></a><span class=”Kop2Char”><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;;”> </span></span></h1>
<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”><a name=”_Toc207594250″></a><a name=”_Toc206687873″></a><a name=”_Toc205395844″></a><a name=”_Toc204526061″><span><span><span><span class=”Kop2Char”><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;;”>Naast de zintuig-conflict-theorie en de</span></span></span></span></span></a><span class=”Kop2Char”><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;;”> </span></span><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;; color: black;”>SV-conflict-theorie</span><span class=”Kop2Char”><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;;”> zijn er ook andere hypotheses gesteld die het ontstaan van reisziekte verklaren. Zo kwam Treisman in 1977 met de hypothese dat er bij reisziekte een situatie ontstaat waarin twee gekoppelde systemen (zoals de ogen en het vestibulair systeem) continu gedwongen worden om vergelijkingen te maken [10]. Bij zo’n situatie zou het braken worden geactiveerd om af te komen van mogelijk ingenomen toxines die het alsmaar kalibreren van de sensorische informatie zouden kunnen verstoren [10].</span></span></p>
<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;; color: black;”> </span></p>
<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;; color: black;”>Ebenholtz et al. stelden de hypothese dat nystagmus (een slaande beweging van de ogen) verantwoordelijk is voor het ontstaan van visueel geïnduceerde reisziekte [29]. Uit een onderzoek bleek namelijk dat wanneer de spieren achter de ogen werden geanestheseerd zodat de ogen niet meer bewogen, dit het post-operatief braken significant verminderde [24]. De suggestie werd gesteld dat bewegingen van de oogspieren de nervus vagus stimuleren en dat dit leidt tot stimulatie van het vestibulair systeem [29]. </span></p>
<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;; color: black;”> </span></p>
<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”><span style=”font-size: 7pt; font-family: &quot;Verdana&quot;,&quot;sans-serif&quot;; color: black;”>Tenslotte is ook geopperd dat bij de ontwikkeling van reisziekte de omvangrijke samenstroom van vestibulaire en autonome informatie in de hersenen leidt tot gerefereerde symptomen en verschijnselen, vergelijkbaar met de gerefereerde viscerale pijn die bijvoorbeeld kan voorkomen bij angina pectoris [21]. De gerefereerde ongemakken dienen mogelijk als stimuli om potentieel gevaarlijke situaties te mijden [21]. </span></p>
<p style=”text-align: center;” align=”center”></p>
<p style=”text-align: center;” align=”center”> </p>

<strong> <span style=”font-family: Arial; color: #0000ff;”><span style=”font-size: 7pt;”> </span></span></strong>

<strong><em>Geschreven door: Mw. B.A.A. Hueskes </em></strong><strong><em>BSc. </em></strong><strong>(<a href=”http://www.uu.nl”>Universiteit Utrecht</a>, <a href=”http://www.pharm.uu.nl”>Farmaceutische Wetenschappen)</a></strong>
<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”>Referentielijst:</p>

<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”>1. Shupak A, Gordon CR. Motion Sickness: Advances in Pathogenesis, Prediction,
Prevention, and Treatment. Aviat Space Environ Med 2006; 77:1213-1223.

<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”>2. Golding JF. Motion sickness susceptibility. Autonomic Neuroscience: Basic and Clinical
2006; 129:67–76.

<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”>7. Reason JT, Brand JJ. Motion sickness. 1975; London: Academic Press.
8. Brandt T. Vertigo, Its Multisensory Syndromes. Springer, 2nd Edition, 2003.

<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”>12. Van Cranenburgh B. 25. Vestibulair systeem. Schema’s fysiologie. Elsevier/De
Tijdstroom, 1997, 4e druk.

<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”>13. Nederlandse Vereniging voor Keel-Neus-Oorheelkunde en Heelkunde van het Hoofd-
Halsgebied, Mardeno Medical Support B.V. Weblocatie:
http://blog.seniorennet.be/jules/archief.php?ID=678, geraadpleegd op 15-04-2008.

<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”>14. Klein Nulent GJ. Braken en anti-emetica. Pharmaceutisch Weekblad, 1979; 114:1235-
1247.

<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”>15. Lamoré PJJ, Kapteyn TS. Leerboek Audiologie. 3.2.2(2). Anatomie van het binnenoor en
het evenwichtsorgaan. Nederlandse Vereniging voor Audiologie. Weblocatie:
http://www.audiologieboek.nl/niveau2/hfd3/indexn2h3.htm, geraadpleegd op 15-04-
2008.

<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”>16. Onbekend. The vestibular system. Encyclopædia Britannica. Weblocatie:
http://www.britannica.com/eb/art/print?id=68878&amp;articleTypeId=1, geraadpleegd op
15-04-2008.

<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”>17. Zajonc TP, Roland PS. Vertigo and motion sickness. Part I: Vestibular anatomy and
physiology. Ear, Nose &amp; Throat Journal, 2005; 84(9):581-584.

<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”>18. Nachum Z, Shupak A, Gordon CR. Transdermal Scopolamine for Prevention of Motion
Sickness, Clinical Pharmacokinetics and Therapeutic Applications. Clin Pharmacokinet
2006; 45 (6):543-566.

<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”>19. Money KE, Lackner JR, Cheung RSK. The Autonomic Nervous System and Motion
Sickness. In Yates BJ, Miller AD. Vestibular Autonomic Regulation. CRC Press, 1996.

<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”>20. Harm DL. Motion Sickness Neurophysiology, Physiological Correlates, and Treatment. In
Stanney KM. Handbook of Virtual Environments: Design, Implementation, and
Applications. Lawrence Erlbaum Associates, 2002.

<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”>21. Balaban CD. Vestibular autonomic regulation (including motion sickness and the
mechanism of vomiting). Curr Opin Neurol 1999; 12(1):29-33.

<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”>22. De Waele C, Mühlethaler M, Vidal PP. Neurochemistry of the central vestibular pathways.
Brain Research Reviews 1995; 20:24-46.

<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”>23. Takeda N, Morita M, Horii A, Nishiike S, Kitahara T, Uno A. Neural mechanisms of motion
sickness. J. Med. Invest. 2001; 48:44-59.

<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”>24. Onbekend, Tractus digestivus / Anti-emetica, Farmacotherapeutisch Kompas.
Weblocatie: http://www.fk.cvz.nl/, geraadpleegd op 27-06-2008.

<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”>25. Reason JT. Motion sickness adaptation: a neural mismatch model. Journal of the Rolal
Society of Medicine 1978; 71:819-829.

<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”>26. Bos JE, Bles W. Modelling motion sickness and subjective vertical mismatch detailed for
vertical motions. Brain Research Bulletin 1998; 47:537–542.

<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”>27. Bles W, Bos JE, De Graaf B, Groen E, Wertheim AH. Motion sickness: Only one
provocative conflict? Brain Research Bulletin 1998; 47(5):481–487.
<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”>28. Bles W, Bos JE, Kruit H. Motion sickness. Current Opinion in Neurology 2000; 13:19-25.</p>

<p class=”MsoNormal” style=”text-align: justify;”>29. Ebenholtz SM, Cohen MM, Linder BJ. The possible role of nystagmus in motion sickness:
a hypothesis. Aviation space and environmental medicine 1994; 65:1032-1035.

Related posts

Pnyxe Comment Box