Bioresonantie: effectiviteit

De effectiviteit van bioresonantie is bij zeer diverse aandoeningen onderzocht. Deze aandoeningen zijn grofweg in te delen in reumatische aandoeningen, allergieën, astmatische aandoeningen, maagdarmklachten, leverstoornissen, psychosomatische klachten, overbelasting bij topsporters en fuctionele klachten aan het bewegingsapparaat. In totaal zijn er geen Randomized Clinical Trials (RCT’s) uitgevoerd, wel zijn uitgevoerd twee enkelblinde, gerandomiseerde placebogecontroleerde studies, zeven niet-gerandomiseerde en niet geblindeerde placebogecontroleerde studies, achttien case-series en twee retrospectieve observationele studies. (2)
In dit hoofdstuk zal dieper ingegaan worden op de klinische studies die er gedaan zijn naar maag-darmklachten en reumatische aandoeningen. Er is gekozen voor deze twee omdat hiernaar deze aandoeningen kwalitatief het beste onderzoek gedaan is. Er zal onderzocht worden welke studies er hierover beschikbaar zijn, wat de kwaliteit van het onderzoek is en welke conclusies er uiteindelijk uit de resultaten getrokken kunnen worden. Het doel is om uiteindelijk te kunnen concluderen of er bewijs is voor de effectiviteit van bioresonantie bij maag-darmklachten en reumatische aandoeningen.

2.2     Methoden

Om te onderzoeken welke studies er uitgevoerd zijn naar de effectiviteit van bioresonantie bij reumatische aandoeningen en maag-darmklachten is gebruik gemaakt van het overzicht dat Galle (2) op zijn site geplaatst heeft. Deze site is geüpdatet in april 2009 en geeft een volledig beeld van de uitgevoerde klinische studies tot 2009. Als controle en om de onderzoek die na 2009 zijn gepubliceerd, is voor de studies naar reumatische aandoeningen in PubMed gezocht op de term “bioresonance AND rheumatoid arthritis” in titels en abstracts van artikelen. Tevens zijn in Google Scholar de volgende zoektermen ingevoerd: “bioresonance AND rheumatoid arthritis”, “BICOM AND rheumatoid arthritis” en “BRT AND rheumatoid arthritis”. Als controle voor maag-darmklachten is zowel in PubMed als in Google Scholar gezocht op de volgende termen: “(bioresonance OR BICOM OR BRT) AND gastrointestinal complaints” en “Bioresonanz AND Magen-Darmbeschwerden”.
Deze artikelen zijn vervolgens geanalyseerd op studieopzet, waarbij in eerste instantie gekeken is naar de aanwezigheid van een randomisatieprocedure en daarmee de aanwezigheid van een controlegroep en eventuele blindering. Vervolgens zijn de resultaten en conclusies bestudeerd, waarbij met name gelet is op de vraag of de conclusie getrokken kan worden uit de verkregen resultaten en hoe de conclusie luidt. Daarnaast is van elk tijdschrift, waarin één of meerdere van deze artikelen gepubliceerd zijn, de Impact Factor opgezocht, om zo een indruk te krijgen van de kwaliteit van het artikel en is onderzocht of het betreffende tijdschrift MEDLINE-indexed en peer-reviewed is.

2.3     Resultaten

2.3.1     Reumatische aandoeningen

De vijf artikelen die door Galle genoemd worden, zijn weergegeven in tabel 1. (2) Verdere zoekacties op PubMed en Google Scholar leverden naast deze vijf geen andere relevante artikelen op.

469 Bioresonantie: effectiviteit

Het oudste onderzoek dat gevonden is naar de effecten van bioresonantie op reumatoïde artritis (RA) is een studie uit 1999 van Islamov et al. (18). In deze studie is gekeken naar het effect van BRT op de eiwitsynthese van heat shock proteins (HSP), door lymfocyten bij patiënten met RA. Deze resultaten werden vergeleken met de synthese van HSP bij gezonde vrijwilligers. De activering van HSP is onderdeel van het beschermingsmechanisme tegen auto-immuunziekten en wordt geïnitieerd door stress (bijvoorbeeld hitte die vrijkomt bij een ontstekingsreactie).
Om te onderzoeken hoe de synthese van HSP beïnvloed kan worden door BRT zijn zes patiënten geïncludeerd met een geschiedenis van 10-15 jaar van RA. Bij deze patiënten werd met behulp van de EAV de meetwaarden van de gewrichten en het immuunsysteem bepaald. Deze waren bij alle patienten pathologisch en vertoonden tevens ‘Zeigerabfall’. De controlegroep bestond uit vijf gezonde personen waarbij de EAV-waarde bij zowel de gewrichten als bij het immuunsysteem normaal was.

De behandeling bestond vervolgens uit 10-15 sessies van 30 minuten waarin de zes patiënten behandeld werden met een IMEDIS-apparaat. Voor de juiste frequenties werd gebruik gemaakt van de pathologische trillingen die de patiënt zelf bezat; deze werden complementair toegediend, om zo de frequenties uit te doven.
Na deze behandeling werd bloed afgenomen, waaruit de lymfocyten werden gehaald. Van deze lymfocyten werd de kwantiteit van de verschillende HSPs geanalyseerd, waarbij de hoeveelheid HSP vergeleken werd met de totale hoeveelheid nieuw gesynthetiseerd eiwit in de cel. Ook bij de vijf gezonde vrijwilligers werd bloed afgenomen en geanalyseerd. Tevens werd de bloedbezinking, de concentratie urinezuur en de activiteit C-reactief proteine (CRP) bepaald bij de zes RA-patiënten.
De behandelde groep had bij aanvang van de therapie significant (p<0.05) minder synthese HSP in vergelijking met de gezonde vrijwilligers. BRT zorgde voor een verdubbeling van de hoeveelheid HSP ten opzichte van de waarden bij aanvang van de therapie. Drie verschillende HSPs en twee andere eiwitten bleken significant verhoogd te zijn. Uiteindelijk kwam de mate van synthese van deze eiwitten bij RA-patiënten na BRT overeen met de mate van synthese bij de gezonde vrijwilligers. Daarbij daalde de bloedbezinking van 25±12 mm/h naar 5.3±0.5 mm/h (p<0.05) en de concentratie urinezuur in het bloed van 612±31 µmol/liter naar 275±63 µmol/liter (p<0.05). De activiteit van CRP daalde van +++ naar +/-. Omdat deze parameters niet bij de gezonde vrijwilligers gemeten zijn, is het niet mogelijk een vergelijking te maken tussen beide groepen.
Islamov concludeert hieruit dat BRT is staat is om de synthese van HSP weer te normaliseren en daardoor een immunomodulerend effect te bewerkstelligen. Aangezien ook andere biochemische parameters door BRT werden hersteld tot normale waarden, zou bioresonantie effectief zijn bij reumatoïde artritis. Deze conclusie moet echter in twijfel getrokken worden, vanwege het ontbreken van een controlegroep. Dus stellen dat de opgetreden verandering veroorzaakt moeten zijn door bioresonantie gaat te ver; deze veranderingen kunnen immers ook veroorzaakt zijn door andere factoren, als het natuurlijk beloop van de ziekte of door placebo-effecten.

In het tweede onderzoek van Islamov et al. (19) zijn wederom de effecten van BRT op RA bestudeerd. In deze studie is echter niet gekeken naar de effecten op HSP, maar op het antioxidantsysteem. In zijn studie uit 1999 suggereerde Islamov al dat het effect op de HSP indirect veroorzaakt kon worden door een modulatie van het antioxidantsysteem (18). In RA wordt veel schade in de gewrichten veroorzaakt door de aanwezigheid van vrije radicalen als O2-, H2O2 en OH- (22). Deze vrije radicalen worden geproduceerd door neutrofielen, die op hun beurt weer gestimuleerd worden door cytokines in de synoviale vloeistof (23). Door activatie van het antioxidantsysteem (de enzymen dismutase, catalase en glutathion peroxidase) zou de schade door de vrije radicalen beperkt kunnen worden. De aanwezigheid van gereduceerd glutathion wijst op reeds aanwezige oxidatieve schade (22) en is hiermee een indicator voor gewrichtsschade. Door Islamov et al. (19) is de activiteit van de enzymen dismutase, catalase en glutathion peroxidase en de aanwezigheid van niet-eitwit thiolgroepen (gereduceerd glutathion) in lymfocyten van RA-patiënten onderzocht. Deze resultaten zijn vervolgens vergeleken met de aanwezigheid en activiteit van desbetreffende eiwitten in lymfocyten van gezonde vrijwilligers.

In deze studie zijn twintig vrouwen geïncludeerd tussen de 19 en 60 jaar met RA niveau II-III, volgens indeling van de Amerikaanse Rheumatology Vereniging. Alle patiënten gebruikten diclofenac (een NSAID) in een dosering van 50-200 mg per dag. 7 patiënten gebruikten tevens prednisolon of een andere DMARD als methotrexaat.
De behandeling bestond uit een wekelijkse sessie van 20-30 minuten met het IMEDIS-apparaat, gedurende negen maanden. Bloedmonsters werden afgenomen voor, aan het eind en 2-3 maanden na de behandeling. Ter controle werden bloedmonsters afgenomen bij tien gezonde vrouwen. Uit deze bloedmonsters zijn de lymfocyten gehaald en geanalyseerd op de aanwezigheid en activiteit van dismutase, glutathion peroxidase, catalase en de  gereduceerd glutathion.
De activiteit van dismutase, glutathion peroxidase en catalase was bij de RA-patiënten significant (p<0.05) hoger dan bij de gezonde vrouwen, waarbij de hoeveelheid gereduceerd glutathion significant lager was. Na behandeling met BRT was de hoeveelheid gereduceerd glutathion significant gestegen ten opzichte van de beginwaarden (p<0.05). 2-3 maanden na afloop van de therapie was de hoeveelheid gereduceerd glutathion nog verder gestegen en wederom significant hoger dan bij aanvang van therapie. Na 2-3 maanden was tevens de activiteit van glutathion peroxidase significant afgenomen in vergelijking met de beginwaardes van de RA-patiënten. De activiteit van catalase en dismutase was door BRT niet significant toe- of afgenomen; deze waardes verschilden nog steeds significant van de waardes bij gezonde vrouwen.
Islamov concludeert uit deze resultaten dat BRT een groot scala aan effecten heeft op patiënten met RA. BRT zou niet-specifieke mechanismen stimuleren die het organisme beschermen tegen exogene en endogene schade door vrije radicalen, waardoor schade aan gewrichten voorkomen wordt. (18) Wederom moet deze conclusie in twijfel getrokken worden, aangezien in deze studie, net als in de eerste studie van Islamov de juiste controlegroep ontbreekt. Hierdoor kunnen ook veel andere factoren de oorzaak zijn van de waargenomen verandering, die nu volledig toegeschreven worden aan BRT.

In 2002 is door Maiko et al. (20) een studie uitgevoerd naar de effecten van BRT op knieartrose. In deze studie werd het effect van bioresonantie vergeleken met een placebobehandeling. Hieraan deden 75 proefpersonen mee, die gemiddeld 9 jaar aan reuma leden. 72% hiervan had reuma niveau II-III, de overige 28% werd geclassificeerd als niveau I. Alle patiënten rapporteerden pijn aan het kniegewricht en na radiologisch onderzoek had 83% synovitis (kapselontsteking) of pendinitis (peesontsteking).
De proefpersonen werden ingedeeld in twee groepen, onbekend is hoe deze indeling verliep. Dit kan via een randomisatieprocedure gebeurd zijn, maar het is ook mogelijk dat de patiënten de behandelvorm zelf mochten kiezen. Beide groepen kregen een klassieke behandeling, met NSAID’s, fysiotherapie en vitamines. Groep 2 kreeg hiernaast nog een behandeling met bioresonantie. Hiervoor werd gebruik gemaakt van het IMEDIS-apparaat (Moskou). Deze behandeling bestond uit de basistherapie, om het trillingspectrum van de gehele mens te normaliseren en een behandeling specifiek voor de knie. Deze laatste werd uitgevoerd met rondom het kniegewricht en onder de voeten. Beide therapieën namen 5-6 weken in beslag.
De opzet was niet geblindeerd, waardoor de patiënten wisten of ze wel of niet met BRT behandeld werden. Groep 1 bestond uit 40 patiënten, groep 2 uit 35; de karakteristieken van beide groepen vertoonden geen significante verschillen.
Van alle patiënten werd voor aanvang van de therapie de omvang van het kniegewricht gemeten. Ook werd de mate van pijn met een VAS-score bepaald, werd op enkele punten de drukpijn bepaald en werd gemeten hoe snel de patiënten konden (trap-)lopen. Deze parameters werden ook na de behandeling bepaald. Daarnaast is onderzocht hoe lang de reumatische klachten wegblijven na het staken van de therapie. Hiervoor hebben uit beide groepen 20 proefpersonen op verschillende tijdstippen (voor behandeling, direct na behandeling, en na 3, 6 en 12 maanden) een VAS-score aan hun gewrichtspijn toegekend.
In groep 2 bemerkte 94% een verbetering van klachten, tegen 67.5% in groep 1. Ook de snelheid bij (trap-) lopen was na afloop van BRT significant verbeterd ten opzichte van de snelheid bij aanvang en werd er significant minder gebruik gemaakt van krukken. Of deze data ook significant verschillen van de data uit de controlegroep is niet weergegeven. Bij 75% van de patiënten in groep 2 was er ook een meetbare vermindering van pendinitis en synovitis, tegen 32.5% in groep 1, maar wederom blijkt uit de resultaten niet of deze tussen beide groepen significant verschillen. De omvang van het kniegewricht nam in groep 2 significant af tijdens de behandeling (p<0.05), in groep 1 vond geen significante afname plaats.
De pijnklachten vertoonden in groep 2 een grotere afname dan in groep 1 (p<0.001) en deze vermindering van klachten hield ook langer aan (p<0.01) (zie tabel 2). Hier is wel een significant verschil te zien tussen de controlegroep en de groep die aanvullende met bioresonantie behandeld is.

470 Bioresonantie: effectiviteit

De conclusie van Maiko luidt dat de aanvulling van bioresonantie op reguliere therapie met NSAID’s, DMARD’s en fysotherapie tot een grotere effectiviteit van de behandeling leidt en gezien kan worden als vervanging van NSAIDs. Bioresonantie moet volgens hem echter gezien worden als reservetherapie en toegepast worden indien andere therapieën niet voldoende helpen. (20) Er is echter niet gerandomiseerd en geblindeerd, waardoor het gevaar bestaat voor bias. Zo is het mogelijk dat patiënten positievere scores toekennen wanneer ze weten dat ze met bioresonantie behandeld zijn; dit kan de oorzaak zijn de veranderingen die optraden. Dus door het ontbreken van randomisatie en blindering kunnen deze veranderingen niet direct toegeschreven worden aan bioresonantie. De conclusie dat bioresonantie gezien kan worden als vervanging van NSAIDs is ook veel te verstrekkend. Hier is door Maiko namelijk helemaal geen onderzoek naar gedaan. De enige conclusie die hij eventueel had kunnen trekken was dat bioresonantie een positief aanvullend effect heeft op reguliere therapie, maar ook dit bewijzen de resultaten niet.

In 2001 is door Gogoleva (21) een onderzoek uitgevoerd naar de effecten van BRT bij de behandeling van fibromyalgie (weke delen reuma). Hoewel deze vorm van reuma zich anders uit dan de meer bekende reumatoïde artritis is de overeenkomst dat het beide auto-immuunziekten zijn. Het verschil is echter dat reumatoïde artritis een reactie tegen de gewrichten is en fibromyalgie een reactie tegen het spierweefsel. Het gevolg is spierzwakte, moeheid en pijn aan de gewrichtsbanden. In de reguliere geneeswijze zijn nog geen bevredigende therapieën beschikbaar. De beschikbare therapieën zijn tot op heden slechts gericht op symptoombestrijding en leiden nog niet tot de gewenste resultaten (21).
In deze studie is het effect van bioresonantie als aanvulling op puntmassages (PM) en manuele therapie (MT) onderzocht. Hiervoor werden 60 patiënten geïncludeerd en verdeeld over twee onderzoeksgroepen. Ook in deze studie werd niet geblindeerd, aangezien de patiënten wisten in welke groep ze zaten. Uit het artikel wordt niet duidelijk hoe de patiënten in beide groepen ingedeeld werden en in hoeverre ze hier zelf invloed op hadden. De ene groep werd in 8-10 sessies behandeld met PM en MT, de tweede groep kreeg hierop als aanvulling 5-6 behandelingen met BRT met een IMEDIS-apparaat.
Om het effect van beide methoden te bepalen werd de Indexes des MuskelSyndroms (IMS) bepaald. Deze index is afhankelijk van de mate van spontane pijnen, de spiertonus, de mate van hypertrofie van de spieren, het aantal myofibrosepunten, de pijn aan de spieren en de duur en de intensiteit van de pijn na aanraking. Naast de IMS werden de EAV-meetwaarden van verschillende meridianen gemeten en werd gevraagd aan de patiënten in hoeverre gerelateerde aandoeningen voorkwamen.
Na beide behandelingen waren de EAV-meetwaarden in beide groepen significant (p<0.05) gedaald ten opzichte van de meetwaardes bij aanvang van de therapie; ook in de 1e groep, die niet met BRT behandeld was, werd een significante daling van deze waarden waargenomen. Of de EAV-waardes van groep 2 significant verschillen van groep 1 is niet aangegeven. Ook de IMS daalde in beide groepen significant: voor groep 1 daalde deze van 13.5 naar 6.5 (p<0.05); in groep 2 daalde deze van 14.5 naar 4.0 (p<0.05). Wederom blijkt niet uit de resultaten of groep 2 significant andere scores behaald ten opzichte van groep 1.
De BRT-behandelde groep rapporteerde na behandeling significant minder gerelateerde aandoeningen: ze waren minder gevoelig voor weersveranderingen, de temperatuursregeling was constanter (p<0.01), ze hadden minder last van slaapritmestoornissen, hartproblemen of neurologische klachten (als spierzwakte) (p<0.05). Daarbij hield het effect van de gecombineerde therapie langer aan dan de therapie met alleen PM en MT (12-20 maanden vs. 5-6 maanden, geen significantie weergegeven) en stopte in deze studie 60% van de patiënten uit groep 2 met het gebruik van geneesmiddelen.
De conclusie van Gogoleva naar aanleiding van dit onderzoek is dat bioresonantie bij fibromyalgie tot een langdurige verbetering van de klachten leidt. Het heeft geen bijwerkingen of andere nadelige gevolgen en kan als vervanging van andere therapieën voor fibromyalgie gezien worden. Hier moet echter weer opgemerkt worden dat vanwege het ontbreken van randomisatie en blindering de veranderingen niet direct toegeschreven kunnen worden aan bioresonantie, omdat deze ook beïnvloed kunnen zijn door informatiebias.

Door Schuller en Galle (10) is in 2007 tevens een studie uitgevoerd naar de effecten van bioresonantie op reumatische aandoeningen. Dit betrof een enkelblind cross-over onderzoek zonder randomisatieprocedure omdat er maar één behandelvolgorde werd toegepast. De patiënten ondergingen in de eerste twee weken een placebobehandeling en in de laatste vier weken bioresonantietherapie. De patiënten wisten niet in welke volgorde de therapieën aangeboden werden. Er werden 21 patiënten geïncludeerd die allemaal een reumatische aandoening hadden. Deze aandoeningen waren enigszins verschillend per patiënt: enkele patiënten hadden de ziekte van Bechterew, het grootste deel reumatoïde artritis en een sommige patiënten hadden naast artritis tevens last van artrose, osteoporose of fibromyalgie.
Bij primaire uitkomstmaat was in dit onderzoek de EAV-meetwaardes op veertig verschillende meridiaanpunten. Deze werd bepaald bij aanvang van de therapie, na de placebobehandeling van twee weken en nogmaals na de vier weken behandeling met bioresonantie. Deze meting werd in het gehele onderzoek door dezelfde persoon uitgevoerd. Tevens werd bij aanvang van de therapie de patiënten gevraagd ‘hoe goed ze zich voelden’ (schaal 0-100, waarbij 0 ‘verschrikkelijk slecht’ is en 100 ‘uitstekend’); dit werd na zes weken nogmaals gevraagd. Ook werd bij 15 patiënten bij aanvang en na zes weken een bloedmonster afgenomen. Van dit bloed werden de volgende parameters bepaald: bloedbeeld (aanwezigheid van witte bloedcellen), bezinking en de concentraties van cholesterol, calcium en magnesium.
De patiënten werden in beide periodes eenmaal met het MORA-apparaat behandeld. Hierbij werd gebruik gemaakt van nosoden (homeopathische preparaten, gemaakt van ziek weefsel). De trillingen hiervan werden toegediend en tevens overgebracht op een mengsel van water en alcohol. Hiervan moesten de patiënten drie maal daags zes druppels tot zich nemen. Tijdens de eerste periode van twee weken werd de nosode buiten de elektrische kring gelaten, de laatste vier weken vond de behandeling daadwerkelijk plaats. De patiënt zou dit verschil niet moeten merken, dit is echter niet gecontroleerd.
Na de placebobehandeling werden alleen de EAV-meetwaardes opnieuw bepaald. Deze waren niet significant verschillend ten opzichte van de waardes bij aanvang. Na de vier weken behandeling waren deze wel significant gedaald van 8.9 naar 2.7 (p<0.05). Patiënten rapporteerden na zes weken op de vraag ‘hoe goed ze zich voelden’ een score van 86, dit was significant hoger in vergelijking met de 45 punten bij aanvang (p<0.05). De bloedbezinking nam af van 10.9 mm/h naar 7.6 mm/h (p<0.05) en de calciumconcentratie in het bloed daalde van 9.9mg/100mL naar 9.2 mg/100mL (p<0.05) In het bloedbeeld en in de concentraties cholesterol en magnesium in het bloed, traden geen significante veranderingen op.
Schuller is terecht voorzichtig met conclusies te trekken uit deze resultaten. Deze resultaten zouden een aanwijzing zijn voor de werkzaamheid van bioresonantie, maar niet het bewijs. Om een bewijs te verkrijgen zou een dubbelblinde, placebogecontroleerde, gerandomiseerde studie uitgevoerd moeten worden, waarin deze parameters beoordeeld worden. Daarbij is er onderzoek gedaan naar diverse vormen van reuma; dit is een zwakte van het onderzoek. Het was beter geweest om het onderzoek volledig te richten op een specifieke reumatische aandoening.

2.3.2     Maag-darmklachten

Door Galle werd slechts één onderzoek vermeld naar de effecten van bioresonantie op maag-darmklachten (2) Zoekacties op Google Scholar en PubMed leverden geen extra resultaten op (zie tabel 3). Het betrof een studie van Nienhaus et al (25), een gerandomiseerde, placebogecontroleerde, enkelblinde studie (de proefpersonen waren geblindeerd). In dit onderzoek werd de behandeling van maag-darmklachten met bioresonantie vergeleken met een placebobehandeling.
Er waren twintig patiënten geïncludeerd, die gerandomiseerd ingedeeld werden in twee groepen. Beide groepen bestonden uit tien patiënten, waarvan de karakteristieken niet significant verschilden. De proefpersonen hadden minstens één jaar klachten aan de slokdarm, maag of darmen, gebruikten geen anti-reumatica of corticosteroïden. De medicatie die de patiënten gebruikten bleven zij gebruiken bij aanvang van de studie. Wanneer het mogelijk was, kon deze medicatie tijdens de studie gestopt worden.
De primaire parameters die gemeten werden waren de intensiteit en de frequentie van de klachten. Deze werden door de patiënt en de arts afzonderlijk gerapporteerd. Daarnaast vond ook een lichamelijk onderzoek plaats naar de volgende punten: buikpijn door aanraking, winderigheid en darmgeluiden. Alle parameters werden op een schaal van 0-6 gerapporteerd, waarbij 6 zeer ernstig is, of zeer frequent, en 0 praktisch geen of nooit last. Als secundaire parameters werden de EAV-meetwaardes van het verteringstelsel gemeten en enkele stoelgang- en bloedparameters. Deze parameters werden zowel voor als na de behandeling gemeten.

De behandeling bestond uit basistherapie met het MORA-apparaat, aangevuld met punttherapie op de acupunctuurpunten van de maag, de dunne darm, de mild en bijnier en hiernaast een psychosomatisch programma. De controlegroep werd op dezelfde wijze behandeld, hierbij werden de handelektroden echter niet aangesloten op het apparaat. De patiënt kon dit verschil niet merken en was in de overtuiging zijn dat hij wel behandeld werd. Deze blindering is niet gecontroleerd. Beide groepen werden in drie tot zes weken in totaal zes maal behandeld.

471 Bioresonantie: effectiviteit

472 Bioresonantie: effectiviteit

De gemiddelde score van de controlegroep na behandeling bedroeg 3,43 (± 0,62), de verbetering die in deze groep optrad was 0,13 punten (± 0,24), dit was 3,8% (± 7,0). De behandelde groep had een beginscore van 3,57 (± 0,72), na behandeling trad een verbetering op van 1,72 (± 0,40) (48,2% (± 5,4)). De scores van beide groepen verschilden bij aanvang van de behandeling niet significant, na afloop was dit verschil echter wel significant (p<0.05). Op alle afzonderlijke scores werd in de BRT-behandelde groep significant lager  gescoord dan bij aanvang van therapie en in vergelijking met de placebogroep. De resultaten van dit onderzoek zijn tevens weergegeven in tabel 4 en 5.

Over de secundaire parameters wordt door Nienhaus gemeld dat de EAV-metingen na behandeling tussen beide groepen significant verschillen. De stoelgang-, bloed- en urineparameters waren echter niet veranderd. De proefpersonen uit de behandelde groep meldden geen bijwerkingen en konden gedurende de studie steeds minder geneesmiddelen gebruiken.
Gebaseerd op de resultaten uit tabel 4 en 5 luidt de conclusie van Nienhaus dat bioresonantie een positief effect heeft op maag-darmklachten. Deze conclusie kan echter niet getrokken worden, wanneer niet zeker is of de patiënten daadwerkelijk geblindeerd waren. Als ze hebben gemerkt of ze al dan niet met bioresonantie behandeld werden, kunnen de scores ook hierdoor beïnvloed zijn, in plaats van door de therapie.

2.4     Discussie en conclusie

Wat betreft het onderzoek naar bioresonantie bij reumatische aandoeningen zijn er stevige conclusies getrokken uit de resultaten. Alleen in het artikel van Schuller et al. is men voorzichtig bij het trekken van conclusies. Zijn uiteindelijke conclusie luidt ook dat de resultaten een aanwijzing zijn voor de effectiviteit van bioresonantie, maar niet het bewijs. Ook is hij de enige die vraagtekens zet bij de validiteit en reproduceerbaarheid van de EAV-metingen. Deze zijn onder andere afhankelijk van de druk die uitgeoefend wordt bij het meten en de precieze meetplaats en kunnen per onderzoeker verschillen. In dit artikel wordt ook het aantal proefpersonen bediscussieerd; in het onderzoek van Schuller was dit 15-21 (afhankelijk van de parameter).
Ook in de andere studies was het aantal proefpersonen gering: aan de studie van Islamov uit 1999 deden zes proefpersonen mee en vijf vrouwen ter controle. De 2e studie van Islamov uit 2002 omvatte twintig patiënten en tien gezonde vrijwilligers. De onderzoeken van Maiko et al. en Gogoleva hadden 75 respectievelijk 60 patiënten, verdeeld over twee groepen. Zeker de onderzoeken van Islamov hebben hierdoor weinig zeggingskracht, aangezien de kans aanwezig is dat de resultaten bij een zo klein aantal gebaseerd zijn op toeval.

Het belangrijkste punt ter discussie is de studieopzet. Schuller noemt in zijn discussie al dat zijn onderzoek ten dele ongecontroleerd is. Hiermee doelde hij op de bepalingen van de bloedparameters en de vragenlijst, deze zijn namelijk niet vergeleken met enige controlegroep, waardoor er weinig conclusies te trekken zijn wat betreft bioresonantie en het effect op deze parameters. Ook de EAV-scores zijn echter niet vergeleken met een controlegroep die op hetzelfde moment een placebobehandeling onderging. Hierdoor is nog geen bewijs geleverd dat er op wijst dat de verandering in EAV-meetwaardes daadwerkelijk veroorzaakt werd door de bioresonantiebehandeling. Andere verklaringen voor deze verandering zouden namelijk kunnen zijn: het natuurlijk beloop van de ziekte, of een verandering in weersomstandigheden.
In de studies van Islamov is een soortgelijke fout gemaakt: hier zijn de gemeten parameters vergeleken met de waardes bij gezonde vrijwilligers. Deze gezonde personen zijn niet behandeld met bioresonantie en hadden geen reuma; ook werd in deze groep alleen bij aanvang bloed afgenomen en niet op twee verschillende momenten. Hierdoor is het wederom niet mogelijk uit de resultaten te concluderen dat bioresonantie voor dit effect heeft gezorgd. Ook hier zou het veroorzaakt kunnen worden door het natuurlijk beloop van de ziekte, of door een placebo-effect. De studieopzet in de onderzoeken van Maiko et al. Gogoleva is wat dat betreft beter: hier werden 75 respectievelijk 60 patiënten met vergelijkbare karakteristieken verdeeld over twee groepen. Onbekend is echter of er randomisatie plaatsgevonden heeft, waardoor er mogelijk bij aanvang van het onderzoek prognostische onvergelijkbaarheid opgetreden heeft.  De groepen waren in ieder geval niet geblindeerd.
Samenvattend zijn de studies zijn als volgt te classificeren: de beide onderzoeken van Islamov moeten beschouwd worden als prospectieve follow-up studies, vanwege het ontbreken van randomisatie. De studie van Maiko et al. en van Gogoleva zijn te beschouwen als niet-geblindeerde, mogelijk niet geransomiseerde placebo-gecontroleerde studies en de studie van Schuller et al. als een niet-gecontroleerde cross-over studie.

Ook wat betreft de statistiek is niet alles correct weergegeven. Zo is in de studie van Maiko et al. vaak alleen aangegeven of de waardes significant afweken van de waardes bij aanvang van de therapie, maar niet of deze ook significant verschilden van de controlegroep na behandeling. Dit zelfde is ook gebeurd in het onderzoek van Gogoleva. Hierdoor is niet bekend of deze resultaten wel significant , maar niet weergegeven zijn, of dat er geen significante verandering opgetreden is.
Het is tevens onbekend wat het precieze geneesmiddelgebruik tijdens de studies van Islamov (1999), Maiko en Gogoleva is. In het artikel van Islamov uit 2002 wordt wel vermeld dat alle patiënten diclofenac gebruikten en een DMARD, maar niet of dit constant blijft gedurende het gehele onderzoek. Alleen Schuller vermeldt dat het medicijngebruik tijdens het onderzoek constant gehouden is. Vanwege het ontbreken van de medicijngegevens bij de andere vier studies is het niet mogelijk direct te concluderen dat het effect tijdens de studie veroorzaakt werd door bioresonantie. Wellicht zijn deze patiënten meer of minder medicijnen gaan gebruiken en is dat de reden voor de verkregen resultaten.
Opvallend is ook een zinsnede uit het artikel van Maiko: “Unter Berücksichtigung der Tatsache, dass 23,5% der von uns untersuchten Gonarthrose-Patiënten erosive  geschwürige Schädigungen der obere Bereiche des Magen-Darmtraktes hatten, kann die BRT als eine Alternative zu NAPP (=NSAID) betrachtet werden” (20). Hier wordt gesteld dat bioresonantie als alternatief gezien kan worden voorbehandeling met NSAIDs. Het is opmerkelijk dat deze conclusie hier getrokken wordt, aangezien er door Maiko geen onderzoek gedaan is, waarin de resultaten van bioresonantie met die van NSAIDs vergeleken werden. Er is in dit onderzoek alleen onderzocht wat de additionele waarde van BRT is, bovenop een behandeling met puntmassage en manuele therapie. Ook in andere onderzoeken wordt geen vergelijking gemaakt met de huidige reguliere behandelingen, maar wanneer er al een controlegroep aanwezig is, wordt het alleen met een placebobehandeling vergeleken. Het is dus niet bekend of bioresonantie effectiever is en minder bijwerkingen heeft dan de reguliere behandelingen.

De drie tijdschriften waar deze vijf artikelen in gepubliceerd zijn, zijn allemaal Medline-indexed en peer-reviewed. Dit zegt echter ook niet alles; wanneer de artikelen enkel aan referenten worden aangeboden die positief tegenover alternatieve geneeswijzen staan, zal er minder kritisch gekeken worden dan wanneer de referenten neutraal of sceptisch zijn. Ook zijn er enkele opmerkingen te plaatsen bij deze tijdschriften, met name wanneer naar de impact factor gekeken wordt. Deze ligt tussen de 0.204 en de 1.152. Op zichzelf zeggen deze waardes niet veel, maar vergeleken met andere tijdschriften uit hun categorie blijkt dat deze tijdschriften laag scoren. Uitzondering hierop is Forschende Komplementärmedizin, die als 9e van de 14e scoort in zijn categorie en daarmee in het midden uitkomt. Dit is het tijdschrift waar het artikel van Schuller et al. in gepubliceerd is. In de impact factor wordt echter niet vermeld door wie de artikelen geciteerd worden; wanneer er enkel door andere onderzoekers naar alternatieve geneeswijzen geciteerd wordt, heeft een hogere impact factor weinig zeggingskracht binnen het EBM. De lage impact factors van de andere twee tijdschriften geven aan dat artikelen uit deze tijdschriften weinig geciteerd worden, blijkbaar dus ook weinig in andere studies naar de effecten van alternatieve geneeswijzen.

Wat betreft het onderzoek dat uitgevoerd is naar de effectiviteit van bioresonantie bij maag-darmklachten valt op dat er slechts één studie naar gedaan is; aan dit onderzoek deden twintig patiënten mee, waarmee het totale aantal onderzochte proefpersonen bij deze aandoening dus ook slechts 20 is; dit aantal is te gering voor het trekken van grote conclusies. Het artikel is gepubliceerd in hetzelfde tijdschrift als het artikel van Schuller over reumatische aandoeningen; dit is een Medline-indexed, peer-reviewed tijdschrift met een impact factor van 1.152.
De studieopzet van het onderzoek was bijna correct; het betrof een gerandomiseerd, placebogecontroleerd en enkelblind onderzoek, alleen is deze blindering niet gecontroleerd. De mogelijkheid bestond dus dat de patiënten zich bewust waren van het feit dat ze met bioresonantie behandeld werden, waardoor informatiebias op heeft kunnen treden. Dit heeft tot gevolg dat niet mogelijk is te concluderen dat deze verandering daadwerkelijk veroorzaakt is door bioresonantie en is effect op maag-darmklachten niet bewezen.

Al met al is het lastig eenduidige conclusies te trekken uit deze studies, met name de studies naar reumatische aandoeningen. Uit de resultaten van de studie van Maiko valt te concluderen dat pijnklachten na behandeling met bioresonantie, puntmassage en manuele therapie minder hevig zijn, dan na behandeling met alleen puntmassage en manuele therapie en dat deze klachten tevens langer wegblijven. Uit de studie van Gogoleva is te concluderen dat patiënten met fibromyalgie minder last hebben van gerelateerde aandoeningen. Ook is de effectiviteit van bioresonantie in vergelijking met reguliere therapie niet bewezen. Daarbij is van geen van de studies de opzet dusdanig dat er ook conclusies getrokken kunnen worden. Kortom, er is geen bewijs dat bioresonantie effectief is bij reumatische aandoeningen. Om de woorden Schuller aan te halen: “de resultaten geven aanwijzingen voor de effectiviteit van bioresonantie maar leveren nog niet het bewijs.”
Het valt aan te bevelen een nieuw onderzoek op te zetten, om deze aanwijzigen eventueel te bevestigen. In dit onderzoek dient bioresonantie vergeleken te worden met een reguliere behandeling. De opzet van dit onderzoek moet gerandomiseerd en dubbelblind zijn en dienen er voldoende patiënten geïncludeerd te worden, alleen dan zal het mogelijk zijn om een conclusie te trekken met betrekking tot de effectiviteit van bioresonantie bij reumatische aandoeningen.

Gezien het feit dat er slechts één studie is uitgevoerd naar de effecten van bioresonantie bij maag-darmklachten, is het ook hier lastig direct te concluderen dat de effectiviteit hiermee aangetoond is. Daarbij is de blindering niet gecontroleerd, waardoor er informatiebias op heeft kunnen treden. Hierdoor is er geen bewijs geleverd voor de effectiviteit van bioresonantie bij maag-darmklachten.
Het valt hierbij aan te bevelen het onderzoek nogmaals uit te voeren, zo mogelijk  dubbelblind. Deze blindering dient gecontroleerd te worden. Ook moet het onderzoek ondermeer patiënten uitgevoerd worden, zodat het onderzoek meer zeggingskracht verkrijgt.

Concluderend is er dus geen bewijs dat bioresonantie effectief is bij maag-darmklachten en reumatische aandoeningen.

Geschreven door: Mevr. M. Hempenius BSc. (07-2010) (Universiteit Utrecht, Farmaceutische Wetenschappen)

Referentielijst:

(1)    Morell F. MORA-Therapie Patienteigene und Farblicht-Schwingungen. 4th ed. Heidelberg: Haug Verlag; 1995.

(2)    Galle M. Bioresonanzmethode. 2009; Available at: http://www.institut-biophysikalische-medizin.de/. Accessed 06-04, 2010.

(3)    Nieuwetijdse Geneeswijzen. Achtergronden therapieen. Available at: http://www.nieuwetijdsegeneeswijzen.nl/achtergronden.htm. Accessed 06-04, 2010

(4)    Schumacher P. Biophysikalische Therapie der Allergien – Erweitere Bioresonanztherapie. 4th ed. Inssbruck: Sonntag Verlag; 1998.

(5)    Acupunctuur. Available at: http://nl.wikipedia.org/wiki/Acupunctuur. Accessed 06-04, 2010.

(6)    van der Lee P. Available at: http://www.bioresonantie.nu/. Accessed 06-04, 2010.

(7)    TwillMed. BICOM. Available at: http://bioresonantie.nl/. Accessed 06-04, 2010.

(8)    Gobert. Mora Bio-Resonantie therapy Therapeutische Mogelijkheden. Available at: http://www.gobert.nl/therapeutischeMogelijkhedenMORA.html. Accessed 06/22, 2010.

(9)    Bioresonantie Gelderland. Bioresonantietherapie. Available at: http://www.bioresonantiegelderland.nl/bioresonantie.php. Accessed 06/22, 2010.

(10)    Schuller J, Galle M. Study on the clinical effectiveness of electronically stored nosodes from tooth diseases and articular rheumatism on persons with rheumatic diseases. Forsch.Komplementmed 2007 Oct;14(5):289-296.

(11)    Bioresonantie Therapie Nederland. Therapeuten. Available at: http://www.mbtn.nl/. Accessed 06-04, 2010.

(12)    Fisher P, Ward A. Complementary medicine in Europe BMJ 2000;321:1133-1135

(13)    Barnes PM, Bloom B, Nahin RL. Complementary and alternative medicine use among adults and children: United States, 2007. Natl.Health.Stat.Report 2008 Dec 10;(12)

(12):1-23.

(14)    TwillMed. BICOM-Therapeuten. Available at: http://bioresonantie.nl/. Accessed 06-04, 2010.

(15)    MORA Bioresonantie Nederland. MORA-therapeuten. Available at: http://www.mora bioresonantie.nl/530493970d0f7292b/index.html. Accessed 06-04, 2010.

(16)    ABB. Samen genezen. 2009; Available at: http://www.samen-genezen.nl/. Accessed 06-04, 2010.

(17)    Ernst E, White A. The BBC survey of complementary medicine use in the UK. Complement.Ther.Med. 2000 Mar;8(1):32-36.

(18)    Islamov BI, Funtikov VA, Bobrovskii RV, Gotovskii I. Bioresonance therapy in rheumatoid arthritis and heat shock proteins. Biull.Eksp.Biol.Med. 1999 Nov;128(11):525-528.

(19)    Islamov BI, Balabanova RM, Funtikov VA, Gotovskii YV, Meizerov EE. Effect of bioresonance therapy on antioxidant system in lymphocytes in patients with rheumatoid arthritis. Bull.Exp.Biol.Med. 2002 Sep;134(3):248-250.

(20)    Maiko OI, Gogoleva EF. Outpatient bioresonance treatment of gonarthrosis. Ter.Arkh. 2000;72(12):50-53.

(21)    Gogoleva EF. New approaches to diagnosis and treatment of fibromyalgia in spinal osteochondrosis. Ter.Arkh. 2001;73(4):40-45.

(22)    Kalpakcioglu B, Senel K. The interrelation of glutathione reductase, catalase, glutathione peroxidase, superoxide dismutase, and glucose-6-phosphate in the pathogenesis of rheumatoid arthritis. Clin.Rheumatol. 2008 Feb;27(2):141-145.

(23)    Taysi S, Polat F, Gul M, Sari RA, Bakan E. Lipid peroxidation, some extracellular antioxidants, and antioxidant enzymes in serum of patients with rheumatoid arthritis. Rheumatol.Int. 2002 Mar;21(5):200-204.

(24)    ISI. Journal Citation Reports. 2010; Available at: http://admin-apps.isiknowledge.com.proxy. library.uu.nl/. Accessed 24-05, 2010.

(25)    Nienhaus J, Galle M. Placebo-controlled study of the effects of a standardized MORA bioresonance therapy on functional gastrointestinal complaints. Forsch.Komplementmed 2006 Feb;13(1):28-34.

Related posts

Pnyxe Comment Box